Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13114

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26471
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:54 AwbArt. 72 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke overdracht aan Duitsland

Verzoeker maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen feitelijke overdracht aan Duitsland en verzocht om een voorlopige voorziening om deze overdracht tijdens de bezwaarprocedure te voorkomen. De voorzieningenrechter oordeelde dat hij bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek en dat het verzoek zonder zitting kon worden behandeld vanwege de spoedeisendheid.

Verzoeker stelde dat de overdracht onrechtmatig is omdat hij een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend en de uitkomst daarvan in Nederland mag afwachten. De voorzieningenrechter stelde vast dat het bezwaar tegen feitelijke overdracht beperkt is tot de wijze van uitvoering of nieuwe feiten die de rechtmatigheid van de overdracht aantasten. Verzoeker had geen nieuwe feiten aangevoerd en bovendien was vastgesteld dat hij geen herhaalde asielaanvraag had ingediend.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht aan Duitsland wordt afgewezen wegens gebrek aan redelijke kans van slagen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26471

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. Y.M. Schrevelius),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Verweerder heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij voornemens is om hem over te dragen aan Duitsland op woensdag 13 mei 2026 om 11:00 uur.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overdracht. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het bezwaarschrift niet wordt overgedragen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De mededeling aan verzoeker over de voorgenomen overdracht is aan te merken als een feitelijke handeling jegens een vreemdeling als zodanig. Een dergelijke handeling is op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw [2] gelijkgesteld met een beschikking. Hiertegen is bezwaar en vervolgens beroep mogelijk. De voorzieningenrechter is dan ook bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen.
2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter ook in geval van een niet-kennelijke afdoening uitspraak doen zonder een zitting te houden wanneer onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Gelet op het feit dat de voorgenomen overdracht van verzoeker op zeer korte termijn gepland staat, maakt de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik.
Standpunt van verzoeker
3. Verzoeker meent dat de voorgenomen overdracht in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu het ingediende bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Hij verwijst daartoe naar het door hem ingediende bezwaarschrift. Hij heeft zijn gemachtigde telefonisch meegedeeld dat hij een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend. De uitkomst van deze aanvraag mag hij in Nederland afwachten, wat maakt dat een overdracht onrechtmatig is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [3] volgt dat de mogelijkheid tot het maken van bezwaar op basis van artikel 72, derde lid, van de Vw tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting beperkt is tot een bezwaar over de wijze waarop verweerder van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Daarnaast is het maken van een dergelijk bezwaar mogelijk, indien de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. In dat geval moet de vreemdeling nieuwe feiten en omstandigheden aanvoeren ten aanzien van wat hij heeft aangevoerd (of had kunnen aanvoeren) tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit. [4]
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder met het besluit van 11 maart 2026 de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling heeft genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de beoordeling daarvan. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 31 maart 2026 [5] ongegrond verklaard. [6] Verzoeker heeft geen verzet ingesteld tegen deze uitspraak. Hierdoor staat het overdrachtsbesluit in rechte vast en hieruit vloeit de bevoegdheid tot overdracht voort. Verzoeker voert in dit verzoek enkel aan dat de voorgenomen overdracht onrechtmatig is omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Gebleken is dat verzoeker geen herhaalde asielaanvraag heeft ingediend en zelfs aan de regievoerder heeft meegedeeld graag naar Duitsland te willen worden overgedragen. Het ligt op de weg van verzoeker om nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren ten opzichte van wat hij tegen het overdrachtsbesluit al heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is met wat verzoeker nu aanvoert.
6. Als geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, of als het aangevoerde niet relevant is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting leiden. [7] Dit is slechts anders als zich een geval voordoet zoals bedoeld in het arrest Bahaddar. [8] De voorzieningenrechter is niet gebleken dat sprake is van omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar.
7. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat het bezwaar tegen de feitelijke overdracht geen redelijk kans van slagen heeft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, uitgesproken op 12 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch
meegedeeld aan de gemachtigde van verzoeker op 12 mei 2026 om 16:43 uur en aan de
gemachtigde van verweerder op 12 mei 2026 om 16:44 uur.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:837.
5.Uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, NL26.13677.
6.Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3405.
8.Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.