ECLI:NL:RBDHA:2026:1312

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b VbArt. 5.1b lid 3 VbArt. 5.1b lid 4 VbArt. 5 lid 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling met toekenning schadeloosstelling voor te lang verblijf in politiecel

Eiser, met de Albanese en Tunesische nationaliteit, werd op 11 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd vanwege risico op onttrekking aan toezicht en onzekerheid over zijn identiteit. Eiser betwistte de grondslagen, waaronder het onvoldoende contact met Duitse autoriteiten en het onterecht toewijzen van onttrekkingsrisico.

Verweerder toonde aan dat er voldoende inspanningen waren verricht om de identiteit vast te stellen, waaronder onderzoeken in Italië, Spanje en Duitsland, ondanks wisselende verklaringen van eiser en het ontbreken van identiteitsdocumenten. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3b en 3d terecht aan de maatregel ten grondslag lagen.

Eiser voerde subsidiair aan dat een lichter middel passend was, mede vanwege een aanstaande geboorte en een Chavez-aanvraag, maar de rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend was.

Verder stelde eiser dat hij langer dan 24 uur in de politiecel verbleef, wat de rechtbank bevestigde met een overschrijding van 23 minuten. Dit leidde tot een onrechtmatige aanvankelijke tenuitvoerlegging en toekenning van een schadeloosstelling van €40.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende de schadeloosstelling toe en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard, met toekenning van €40 schadeloosstelling voor overschrijding van de maximale verblijfsduur in de politiecel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1683

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen dhr. [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1987 en de Albanese en Tunesische nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag vanwege een risico op onttrekking.
Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
-
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;-
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
-
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;-
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;-
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;-
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Eiser betwist de grondslagen van de maatregel en wijst in dit kader op de inspanningsverplichting van verweerder en eisers maandenlange strafrechtelijke detentie. Verweerder had eerst contact moeten opnemen met de Duitse autoriteiten over de identiteit en nationaliteit van eiser, alvorens de grond onder artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw, kon worden tegengeworpen. Slechts het opnemen van contact met de Duitse autoriteiten over de asielvergunning die eiser aldaar zou hebben verkregen, is in dit kader onvoldoende. Ook de grond onder artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, is niet langer van toepassing, omdat ten tijde van de zitting tien dagen zijn verstreken sinds de oplegging van de maatregel van bewaring. Dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de behandeling van eisers asielaanvraag, betekent niet dat verweerder deze termijn moet laten vollopen. Verweerder heeft geen tien dagen nodig voor het organiseren van een gehoor.
4. Verweerder heeft ter zitting voldoende gemotiveerd dat en waarom hij zich, ook gedurende eisers strafrechtelijke detentie voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring, voldoende heeft gehouden aan zijn inspanningsverplichting. Zo heeft verweerder een onderzoek opgestart in Italië en Spanje naar eisers identiteit. Eiser was uit die landen echter al vertrokken, voordat de autoriteiten aldaar relevante vaststellingen konden doen. In november 2025 is een onderzoek ingesteld in Duitsland, waar eiser niet bekend was. Ook is in december 2025 door DT&V [4] bij de vreemdelingenpolitie nagevraagd welke overige handelingen zijn gedaan in het kader van de vaststelling van eisers identiteit. Eiser heeft echter meermaals wisselend verklaard en beschikt niet over identiteitsdocumenten. De rechtbank volgt verweerder daarom in zijn standpunt dat gedurende de strafdetentie van eiser voldoende onderzoek is gedaan naar de identiteit, maar dat deze tot op heden niet is te achterhalen en dat eiser aan dit onderzoek niet meewerkt. Daarbij volgt uit de aanbiedingsbrief van verweerder dat het asielgehoor op 19 januari 2026 zou plaatsvinden. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn standpunt dat verweerder te lang de tijd neemt voor het organiseren van het asielgehoor van eiser.
5. Eiser betwist verder alle zware gronden en de lichte gronden 4c en 4d en 4e. Eiser zit vanaf 14 oktober 2025 in detentie. Verweerder wist daarom voordat de bewaringsmaatregel werd opgelegd wie eiser was en waar hij verbleef. Derhalve kan aan eiser geen onttrekkingsrisico worden tegengeworpen. Daarbij staat in de motivering van de gronden niet vermeld dat de tegengeworpen onttrekking zou gaan om de periode voorafgaand aan eisers detentie. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser zijn vertrek belemmert. Eiser heeft geen vertrekplicht gelet op zijn lopende asielaanvraag. Ook weigert eiser niet te verklaren, wat blijkt uit de persoonsgegevens en de nationaliteitsverklaring die hij heeft overgelegd. Ten onrechte wordt aan eiser tegengeworpen dat hij gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst paspoort. In de gronden is het incident op 14 oktober 2025, waarbij hij zich in probeerde te legitimeren, niet betrokken. Ook is in de maatregel geen causaal verband opgenomen met de aanhouding van 14 oktober 2025 en volgt uit het uittreksel justitiële documenten geen veroordeling voor een dergelijk strafbaar feit. Eiser kan zich inschrijven in Ter Apel en heeft daarmee een bestendige verblijfplaats. Eiser heeft verklaard middelen van bestaan te hebben en hierop is niet doorgevraagd. Ook is het onttrekkingsrisico ten gevolge van eisers verdenking dan wel veroordeling van een misdrijf gesteld noch gemotiveerd.
6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [5] volgt dat voor het opleggen van de overige in de maatregel genoemde zware gronden alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. [6] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3b en 3d aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft immers verklaard dat hij twaalf dagen na zijn inreis in Nederland is opgepakt. Hiermee heeft hij twaalf dagen illegaal in Nederland verbleven, zonder melding te hebben gemaakt van zijn illegale verblijf. Ook heeft eiser verklaard in het bezit te zijn van een paspoort, maar verklaart hij verschillend over de locatie hiervan. Reeds hiermee werkt eiser niet mee aan de vaststelling van zijn identiteit. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige onder rechtsoverweging 3 vermelde beroepsgronden behoeven daarom geen verdere bespreking. Ten aanzien van de grondslag van de maatregel van bewaring overweegt verweerder niet ten onrechte dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend en dat gelet op het bovenstaande voldoende is gemotiveerd – zowel in de maatregel als ter zitting – dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
7. Eiser voert subsidiair aan dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiser verwacht in februari 2026 een kind en zal dit kind moeten erkennen en daarna een Chavez-aanvraag indienen.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de maatregel van bewaring voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, volgt een risico op onttrekking aan het toezicht. Daarbij heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat een lichter middel ziet op het meewerken aan de terugkeer van eiser of moet leiden tot de terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst. De enkele stelling dat er in de (nabije) toekomst een kind wordt geboren, dat eiser wenst te erkennen, waarna hij een Chavez-aanvraag wil indienen, draagt niet bij aan deze terugkeerverplichting.
Overbrenging naar detentiecentrum
9. Eiser voert ter zitting aan dat hij – zonder opgaaf van redenen – langer dan 24 uur in de politiecel heeft verbleven, wat moet leiden tot opheffing van de maatregel. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring is opgelegd op 11 januari 2026 om 12:16 uur en dat eiser de politiecel heeft verlaten op 12 januari 2026 om 12:39 uur. Dit is niet binnen 24 uur. Dit leidt tot een onrechtmatige aanvankelijke tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, zoals de Afdeling [7] in haar uitspraak van 27 januari 2025 [8] heeft geoordeeld, en dat eiser daarom recht heeft op een schadeloosstelling. [9] De rechtbank overweegt daarbij dat de overschrijding niet betekent dat de maatregel zelf onrechtmatig is, maar enkel dat de wijze van tenuitvoerlegging aanvankelijk onrechtmatig was. Omdat sprake is van een overschrijding van de maximale verblijfsduur in de politiecel met 23 minuten, stelt de rechtbank de schadeloosstelling, naar de norm van € 40 per dag of gedeelte van een dag, vast op € 40. [10]
Ambtshalve toetsing
10. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor het nadeel dat eiser heeft geleden door zijn te lange verblijf in de politiecel heeft hij aanspraak op € 40 aan schadeloosstelling.
11. Wegens het geconstateerde gebrek in de aanvankelijke tenuitvoerlegging van de maatregel veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder om aan eiser bij wijze van schadeloosstelling € 40 te betalen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Dienst Terugkeer en Vertrek.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2025:219.
9.Als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het EVRM in samenhang gelezen met artikel 94, zesde lid, van de Vw.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.