ECLI:NL:RBDHA:2026:13122
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens ontbreken van summierlijk bewijs van faillissementstoestand
Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot faillietverklaring van een besloten vennootschap. De rechtbank heeft dit verzoek op 31 maart en 28 april 2026 behandeld, waarbij alleen de advocaat van verzoeker is verschenen. De rechtbank is bevoegd om deze insolventieprocedure te behandelen omdat het centrum van voornaamste belangen van de BV in Nederland ligt.
De rechtbank hanteert het beoordelingskader dat een faillissement kan worden uitgesproken indien summierlijk blijkt dat de schuldenaar meerdere schuldeisers heeft en niet meer betaalt. Verzoeker stelde een vordering van ruim €27.000,- te hebben op de BV, gebaseerd op een vonnis en latere kosten, welke niet is betwist of voldaan.
De rechtbank heeft verzoeker de gelegenheid gegeven om de vermeende pluraliteit van schuldeisers te concretiseren met recente vorderingen van andere schuldeisers. Verzoeker kon dit niet overleggen en stelde dat de jaarrekening 2023 met daarin genoemde schulden voldoende was. De rechtbank oordeelt echter dat een jaarrekening geen dwingend bewijs levert van het bestaan van schulden en dat uit de jaarrekening blijkt dat de BV meer activa dan schulden heeft.
Daarom is niet summierlijk gebleken dat de BV meerdere schuldeisers onbetaald laat. Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van de BV wordt afgewezen wegens ontbreken van summierlijk bewijs van faillissementstoestand.