ECLI:NL:RBDHA:2026:13141
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid vereenzelviging met gelijkheidswaarde vrouwen en mannen
Eiseres heeft op 10 juli 2024 een asielaanvraag ingediend, die door de minister op 31 oktober 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 behandeld en oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de vereenzelviging van eiseres met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen niet aannemelijk is.
Eiseres stelt dat zij zich door langdurig verblijf in Nederland heeft ontwikkeld tot een verwesterde vrouw die geen hoofddoek wil dragen, zelf haar levenskeuzes wil bepalen en vreest ernstige problemen bij terugkeer naar Irak. De minister acht haar verklaringen summier en onvoldoende concreet om de vereenzelviging met deze fundamentele waarde te onderbouwen. Ook de fysieke beperkingen van eiseres en haar beroep op het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap worden door de rechtbank niet als relevant voor de asielprocedure beschouwd.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat het besluit van de minister in stand blijft. Wel wordt eiseres een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegekend. De rechtbank overweegt dat elke situatie op haar eigen merites wordt beoordeeld en dat het enkele feit dat de zus van eiseres een verblijfsvergunning kreeg, niet tot een ander oordeel leidt.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag.