ECLI:NL:RBDHA:2026:13151
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P. Bruins
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen verlenging maatregel van bewaring vreemdeling volgens arrest Aroja ongegrond verklaard
Eiser is op 5 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waarna op 8 november 2025 een nieuwe maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Op 6 mei 2026 verlengde de minister deze maatregel met maximaal twaalf maanden. Eiser stelde beroep in tegen deze verlenging en verzocht tevens om schadevergoeding.
Eiser voerde aan dat de maximale termijn van zes maanden voor bewaring was overschreden, verwijzend naar het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026. Volgens eiser moest de termijn vanaf 5 november 2025 worden berekend, omdat toen al een terugkeerbesluit van 6 februari 2025 van kracht was, en de verlenging uiterlijk op 4 mei 2026 had moeten plaatsvinden.
De rechtbank oordeelde dat de periode van bewaring op grond van artikel 59b Vw, die is gebaseerd op de Opvangrichtlijn en niet op de Terugkeerrichtlijn, niet meetelt voor de berekening van de maximale bewaringstermijn van zes maanden. De termijn begon daarom pas te lopen vanaf 8 november 2025, toen de bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw werd opgelegd. De verlenging op 6 mei 2026 was daarmee tijdig en rechtsgeldig.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.