ECLI:NL:RBDHA:2026:13159
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na uitspraak op beroep
De minister van Asiel en Migratie heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 31 december 2025 in de algemene procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 april 2026, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar verzoeker en zijn gemachtigde afwezig bleven. Op dezelfde dag is ook de hoofdzaak (zaaknummer NL26.875) behandeld en is daarop uitspraak gedaan.
Gezien de uitspraak in de hoofdzaak is een voorlopige voorziening niet meer nodig. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 16 april 2026 en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.