ECLI:NL:RBDHA:2026:1316

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2110
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, VreemdelingenbesluitArt. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet

Eiser, een Letse nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 12 januari 2026 geconfronteerd met een maatregel van bewaring vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en het belemmeren van de uitzettingsprocedure. De maatregel werd opgelegd op basis van meerdere zware en lichte gronden, waaronder het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

Eiser betwistte de gronden niet, maar gaf aan de gevolgen van intrekking van zijn EU-verblijfsrecht niet te begrijpen en wenste in vrijheid te kunnen vertrekken, eventueel met hulp van organisaties. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was, mede gelet op eisers verslavingsproblematiek en financiële situatie.

De rechtbank zag geen aanleiding om de voortzetting van de maatregel onrechtmatig te achten en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2110

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1982 en de Letse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden [1] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;-
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
-
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;-
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft het bestaan van deze zware en lichte gronden niet bestreden en evenmin betwist dat deze gronden de maatregel kunnen dragen. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid hiervan. Hieruit volgt dat in het geval van eiser sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder was dan ook bevoegd tot het opleggen van de maatregel. Namens eiser is ter zitting aangevoerd dat hij de gevolgen van de intrekking van zijn EU-verblijfsrecht voor hem in Nederland niet heeft begrepen. In het kader van een lichter middel wenste eiser dat hij in de gelegenheid zou worden gesteld om zelfstandig terug te keren naar Letland, al dan niet met behulp van organisaties. Eiser wenste mee te weken aan zijn vertrek maar wilde het vertrek in vrijheid afwachten.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de maatregel van bewaring voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, volgt een risico op onttrekking aan het toezicht. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring heeft verklaard dat hij wel terug wil naar zijn land van herkomst, maar dat het voor hem onmogelijk is te vertrekken gelet op zijn omstandigheden. In dit kader heeft verweerder eisers verklaringen over zijn verslavingsproblematiek en het gebrek aan financiële middelen juist meegewogen en zich op het standpunt kunnen stellen dat assistentie bij eisers uitzetting is aangewezen.
5. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.