Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/09/703906 / JE RK 26-690
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met ASS en ADHD

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2013 met een diagnose ASS en ADHD. De minderjarige verblijft momenteel in een studio van Optacare met intensieve één-op-één begeleiding na een abrupte overplaatsing van een ASS-woonplek (D3) waar hij vooruitgang boekte.

De moeder, haar partner en de vader uiten grote zorgen over de overplaatsing en het gebrek aan continuïteit in de begeleiding. De vaste jeugdbeschermer is uitgevallen, waardoor communicatie stroef verloopt. Er is nog geen passende langdurige plaatsing gevonden, ondanks dat meerdere voorzieningen zijn aangeschreven.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is omdat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigd blijft en hij intensieve zorg nodig heeft. Vanwege de onduidelijkheid en kwetsbaarheid wordt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing slechts voor één maand verlengd. De gecertificeerde instelling wordt verzocht een schriftelijke update te geven over de zoektocht naar een passende plek. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er volgt een nieuwe zitting op 16 juni 2026.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor één maand en stelt een nieuwe zitting vast.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/703906 / JE RK 26-690
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de partner van de moeder],
hierna te noemen: de partner van de moeder,
beiden wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026;
  • het gezinsplan van de gecertificeerde instelling, ontvangen op 1 mei 2026.
- de ter zitting voorgelezen en overgelegde brief van de moeder en haar partner van 20 mei 2026;
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder;
  • de partner van de moeder;
- [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft bij een studio van Optacare.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 mei 2026, en een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 november 2025.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 november 2025 de machtiging verlengd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] heeft intensieve begeleiding nodig vanwege zijn sociaal-emotionele achterstand, ASS en ADHD. Het gedrag van [de minderjarige] heeft in de opvoedsituatie geleid tot escalaties en onveiligheid. [de minderjarige] verbleef tot voor kort op de Meidoorn, een ASS-groep van D3. Volgens D3 laat hij een kwetsbaar, disharmonisch en sterk contextafhankelijk beeld zien. In rust en bij voorspelbare nabijheid zijn duidelijke krachten zichtbaar, maar bij stress, leegte, begrenzing, groepsdruk en verlies van regie neemt ontregeling snel toe, met wegloopgedrag, agressie en mogelijke gevaarlijke situaties tot gevolg. D3 heeft daardoor laten weten dat [de minderjarige] niet bij hen kon blijven en zijn plaatsing per 18 mei 2026 stop te zetten. Hoewel een driemilieusvoorziening passend wordt geacht voor [de minderjarige] en er verschillende van deze voorzieningen zijn aangeschreven, waaronder Pluryn, is er tot nu toe geen plaatsing van de grond gekomen. Uit noodzaak en omdat D3 heeft geadviseerd [de minderjarige] in een prikkelarme omgeving te plaatsen waar hij kan stabiliseren, is [de minderjarige] vervolgens geplaatst in een studio van Optacare met 24uurs één-op-één begeleiding. [de minderjarige] kan de komende drie dagen zijn vaste één-op-één begeleiders houden, maar deze zullen nadien vervangen worden door begeleiding van Optacare. Optacare heeft op dit moment een toezegging gedaan van een plaatsing voor de duur van een maand. Door de overplaatsing van [de minderjarige] kan zijn behandeling bij Karakter op dit moment niet starten. De vaste jeugdbeschermer is uitgevallen.

4.De standpunten

4.1.
De moeder en haar partner hebben ter zitting naar voren gebracht grote zorgen te hebben over de plaatsing van [de minderjarige] bij Optacare. Tijdens de laatste weken van het verblijf van [de minderjarige] bij D3 had hij 16 uur per dag één-op-één begeleiding. De moeder en haar partner zagen dat [de minderjarige] in deze periode een goede vertrouwensband had opgebouwd met zijn begeleiders en dat hij stappen zette in zijn emotieregulatie en het verwoorden van zijn gevoelens. De moeder en haar partner zijn erg geschrokken van de abrupte overplaatsing van [de minderjarige] . Het is hierbij zeer schijnend dat deze overplaatsing mogelijk voorkomen had kunnen worden, nu D3 aan de moeder, partner van de moeder een aan de vader heeft laten weten dat [de minderjarige] mogelijk nog bij hen kon blijven, mits de gecertificeerde instelling met een passend perspectiefplan kwam. De gecertificeerde instelling heeft, ondanks de herhaaldelijke pogingen van zowel de moeder en haar partner als van D3 om met hen hierover contact op te nemen, hierin verzaakt. De vaste jeugdbeschermer is uitgevallen en het krijgen van contact met de gecertificeerde instelling verloopt zeer stroef. De moeder en haar partner hebben door de situatie het vertrouwen in de gecertificeerde instelling verloren. Er wordt niet in het belang van [de minderjarige] gehandeld. Het is van belang dat [de minderjarige] zo snel mogelijk naar een langdurige passende plek kan, zodat hij kan starten met de voor hem noodzakelijke behandeling. De moeder en haar partner achten een driemilieusvoorziening passend voor [de minderjarige] .
4.2.
De vader heeft naar voren gebracht dat, hoewel hij [de minderjarige] lange tijd niet heeft gezien, hij merkt dat hij het moeilijk heeft. De vader heeft [de minderjarige] na zijn overplaatsing naar Optacare bezocht en hem daar slapend in een kast aangetroffen, wat zeer zorgelijk is. [de minderjarige] leek juist stappen te hebben gezet in zijn ontwikkeling door de begeleiding die hij kreeg bij D3.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [de minderjarige] is een zeer kwetsbare jongen, met kindeigen problematiek als ook problematiek in zowel zijn gedrag en agressie- en emotieregulatie. [de minderjarige] heeft hierdoor intensieve zorg en begeleiding nodig. Alle betrokkenen zijn het erover eens zijn dat [de minderjarige] , ook vanwege de eigen problematiek van ouders, op dit moment niet thuis kan wonen. Positief hierin is wel dat de moeder veel steun heeft aan haar partner en dat zij ter zitting heeft aangegeven veel baat te hebben bij het intensieve hulpverleningstraject voor haar psychische problematiek waar zij mee is gestart. Ook was positief dat [de minderjarige] na de vorige zitting overgeplaatst is naar de ASS-woonplek van D3. Hoewel [de minderjarige] ook hier nog gedragsproblematiek liet zien, werd ook gezien dat hij door betrokkenheid van de één-op-één begeleiding stappen maakten in zijn ontwikkeling en emotieregulatie. De zorgen over [de minderjarige] zijn de laatste dagen echter opnieuw toegenomen, doordat hij niet bij D3 kon blijven en opnieuw is overgeplaatst. De vaste jeugdbeschermer is uitgevallen waardoor de ouders en D3 geen vast aanspreekpunt hebben gehad, en de overplaatsing op een abrupte wijze heeft plaatsgevonden. [de minderjarige] verblijft nu bij Optacare, in een studio met een volwassene, maar ook deze plaatsing is zeer kwetsbaar nu deze slechts voor de duur van een maand is toegezegd. De kinderrechter is van oordeel dat er sprake is van een schijnende situatie, met veel onzekerheid en onduidelijkheid voor zowel [de minderjarige] , als de moeder, haar partner en de vader. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat er op dit moment geen veiligheidsplan voor [de minderjarige] is opgesteld, dat hij nog niet kan starten met behandeling of school en dat nog onbekend is waar zijn perspectief ligt. De kinderrechter ziet hierin aanleiding om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] enkel voor een korte duur te verlengen, zodat vinger aan de pols gehouden kan worden. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van één maand. De kinderrechter verzoekt daarbij de gecertificeerde instelling om uiterlijk
vier dagenvoor de nieuwe zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden toe te sturen, met daarin informatie over het verloop en resultaat van de zoektocht naar een passende plek voor [de minderjarige] .
5.3.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 22 juni 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 juni 2026;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de gecertificeerde instelling, de vader, de moeder en de partner van de moeder, en [de minderjarige] voor een kindgesprek, op te verschijnen tijdens de zitting van mr. N.B. Haverhoek van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, in het gerechtsgebouw aan Prins Clauslaan 60 te Den Haag, op 16 juni 2026 te 16:00 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.4.
verzoekt de gecertificeerde instelling op om
uiterlijk vier dagenvoor de zitting een schriftelijke update bij de rechtbank in te dienen zoals hiervoor onder 5.2. overwogen, onder gelijktijdige verzending van een afschrift daarvan aan de belanghebbenden;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.