ECLI:NL:RBDHA:2026:1318

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
09/257253-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak brandstichting wegens onvoldoende bewijs over brandgevaar en omvang

Op 29 september 2025 vond er een brand plaats bij een snackbar in Den Haag waarbij lichte brandschade aan de voorgevel ontstond. Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk stichten van deze brand met gebruik van vuurwerk of een explosief, waarbij gevaar voor omliggende woningen en bewoners werd gevreesd.

Tijdens de terechtzitting op 13 januari 2026 heeft de officier van justitie gevorderd dat het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard en een gevangenisstraf van drie jaar wordt opgelegd. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een lagere straf.

De rechtbank constateerde dat het dossier onvoldoende informatie bevat over de aard, locatie en omvang van de brand. Er ontbreken foto’s en details over het gebruikte vuurwerk en eventuele brandversnellers. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of er sprake was van gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar voor bewoners.

Gezien het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs verklaarde de rechtbank het ten laste gelegde niet bewezen en sprak verdachte vrij. Tevens werd het inbeslaggenomen bedrag van 120 euro aan verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van brandstichting wegens onvoldoende bewijs over het ontstaan en gevaar van de brand.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/257253-25
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.R. Mantz naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 september 2025 te 's-Gravenhage
opzettelijk
brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door vuurwerk,
althans een explosief, aan te steken, althans in aanraking te brengen met open vuur,
ten gevolge waarvan brand is ontstaan aan (de voorgevel van) [snackbar] ,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voor (goederen in) omliggende woningen te duchten was
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor bewoners van omliggende woningen te duchten was.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte primair vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair, indien de rechtbank het tenlastegelegde bewezen verklaart, heeft de raadsman verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
In de nacht van 29 september 2025 is er brand gesticht bij [snackbar] in Den Haag. Uit het dossier volgt dat er hele lichte brandschade aan de voorgevel is ontstaan. Een politieambtenaar heeft gezien dat er resten van vuurwerk en tape op de grond lagen en in de tralies vast zaten. Buiten het voorgaande bevat het dossier hoegenaamd geen informatie over de aard, locatie en omvang van de brand. Evenmin zijn er foto’s in het dossier opgenomen van de situatie na de brand. Het is niet duidelijk of de gevel zelf in brand heeft gestaan en, als dat wel het geval is geweest, welk gedeelte daarvan in brand heeft gestaan. Uit het dossier volgt evenmin om wat voor vuurwerk het gaat en of er daarbij ook gebruik is gemaakt van brandversnellers. De rechtbank beschikt dan ook niet over voldoende gegevens om te kunnen beoordelen hoe gevaarlijk de brand is geweest en dus of er gemeen gevaar voor (goederen in) omliggende woningen en of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van omliggende woningen te duchten was. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De inbeslaggenomen voorwerpen

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen, te weten 120,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1500-2025329564-3400572).
4.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen bedrag kan worden teruggegeven aan de verdachte, omdat niet is gebleken dat er een relatie bestaat tussen het tenlastegelegde en het bedrag.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich niet uitgelaten over wat er dient te gebeuren met het inbeslaggenomen bedrag.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, zal de rechtbank ten aanzien van het inbeslaggenomen goed de teruggave aan de verdachte gelasten.
5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
gelast de teruggave aan de verdachte van het inbeslaggenomen goed, te weten 120,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1500-2025329564-3400572).
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.A. van Essen, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. I. Jadib, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Duijm, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2026.