ECLI:NL:RBDHA:2026:1319

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2113
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b, derde lid, VbArt. 5.1b, vierde lid, Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser op 12 januari 2026 een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde de zaak op 21 januari 2026.

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende vreemdeling, betwistte de zware gronden die aan de maatregel ten grondslag lagen, met name dat hij niet voldoende meewerkte aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit en dat hij onjuiste of tegenstrijdige gegevens had verstrekt. Eiser stelde dat hij alles had gedaan om duidelijkheid te verschaffen, maar niet over documenten beschikte en dat hij inmiddels asiel had aangevraagd.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de zware gronden had aangevoerd dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en zich aan het toezicht had onttrokken. Deze gronden waren feitelijk juist en rechtvaardigden de maatregel van bewaring. De overige gronden behoefden geen bespreking. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2113

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze zaak op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag vanwege een risico op onttrekking. Als zware gronden [1] zijn daartoe in de maatregel vermeld dat eiser:
-
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;-
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;-
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;-
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;en als lichte gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
-
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;-
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;-
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware gronden 3d en 3e en de lichte grond 4a. Hiertoe voert eiser aan dat hij alles heeft gedaan om duidelijkheid over zijn identiteit en nationaliteit te verschaffen, maar dat hij niet in het bezit is van documenten. Ten tijde van eisers eerste asielaanvraag was de procedure voor hem onduidelijk en duurde deze lang, waardoor hij dacht dat hij vrij was om zich ergens anders naartoe te begeven. Eiser wenst in Nederland asiel aan te vragen en heeft dit inmiddels ook gedaan. Eiser doet een beroep op het lichter middel in de vorm van een meldplicht, zodat hij gebruik kan maken van de voorzieningen.
4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [3] volgt dat voor het opleggen van de overige in de maatregel genoemde zware gronden alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. [4] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt immers niet over een paspoort of visum. Verder heeft hij geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring dragen. De onder 4 vermelde beroepsgronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
5. Ook verder bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.