ECLI:NL:RBDHA:2026:13200

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
26-3228
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 9.1 Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen vestiging voorkeursrecht wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de gemeenteraad om een voorkeursrecht te vestigen op haar onroerende zaak. Dit voorkeursrecht beperkt de mogelijkheid van verzoekster om het perceel vrij te verkopen, wat volgens haar tot financiële schade leidt.

De voorzieningenrechter overweegt dat een louter financieel belang in beginsel geen spoedeisend belang vormt voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft onvoldoende concreet gemaakt dat er sprake is van onomkeerbare schade of een acute financiële noodsituatie. Bovendien is de gemeente al voor het besluit geïnteresseerd in aankoop van het perceel, wat de situatie minder urgent maakt.

Daarnaast is het betoog van verzoekster dat het ontwikkelresultaat bij verkoop aan de gemeente niet wordt vergoed onvoldoende onderbouwd, mede omdat geen concreet ontwikkelingsplan is gepresenteerd. Ook de stelling dat sanering van de grond door een provinciale subsidie tijdig moet worden afgerond, leidt niet tot een ander oordeel.

De voorzieningenrechter ziet geen aanwijzingen dat het besluit evident onrechtmatig is. De vestiging van het voorkeursrecht is gebaseerd op de Omgevingswet en de gemeentelijke omgevingsvisie, waarbij de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt. Het verzoek wordt daarom afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de vestiging van het voorkeursrecht wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3228

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., te [plaats ] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.J. Turenhout),
en

de raad van de gemeente [plaats ] , de raad

(gemachtigde: mr. W. van Galen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de vestiging van een voorkeursrecht op de onroerende zaak aan de [adres 1] respectievelijk [adres 2] en [adres 3] te [plaats ] . Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 8 juli 2025 heeft college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats ] (het college) besloten tot de vestiging van een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, tweede lid, van de Omgevingswet (Ow) op genoemde onroerende zaak. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarmee ook een zienswijze ingediend op het voornemen van de raad om een voorkeursrecht te vestigen op de onroerende zaak.
2.1
De raad heeft met het besluit van 24 september 2025 besloten om op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Ow, een voorkeursrecht te vestigen op de onroerende zaak. Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 op het bezwaar van verzoekster is de raad bij dit besluit gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 26/2632) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2
Verzoekster heeft het spoedeisend belang desgevraagd nader toegelicht en daartoe stukken overgelegd. De raad heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, vergezeld door
[naam 1] en [naam 2] en de gemachtigde van de raad, vergezeld door [naam 3] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
3.1
De voorzieningenrechter overweegt dat het rechtsgevolg van de vestiging van het voorkeursrecht op het perceel van verzoekster is dat verzoekster het perceel niet vrijelijk kan verkopen. Volgens verzoekster leidt die beperking tot financiële schade.
3.2
Het is vaste rechtspraak dat een louter financieel belang in beginsel geen reden vormt om een voorlopige voorziening te treffen. De financiële gevolgen van een besluit kunnen immers ongedaan gemaakt worden als later blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of sprake is van een acute financiële noodsituatie, neemt de voorzieningenrechter aan dat het spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3.3
De omstandigheid dat er een beperking is op het eigendomsrecht is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om dat spoedeisend belang aan te nemen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat deze omstandigheid ook de beoogde werking van het bestreden besluit is. Ook anderszins valt niet in te zien dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
3.4
Verzoekster heeft niet concreet gemaakt dat de vestiging van het voorkeursrecht leidt tot financiële schade. Het rechtsgevolg van de vestiging van het voorkeursrecht is dat verzoekster de onroerende zaak in geval van verkoop eerst aan de gemeente te koop moet aanbieden. Verkoop aan een ontwikkelaar, zoals verzoekster wenst, is daarmee niet op voorhand uitgesloten. De voorzieningenrechter acht verder van belang dat de gemeente in december 2025, dus al voor het nemen van het bestreden besluit, interesse heeft getoond in de verwerving van het perceel. Op de zitting is gebleken dat de gemeente het perceel nog steeds wil kopen, waarvan een concept koopovereenkomst van 21 april 2026 het startpunt is.
3.5
Voor zover verzoekster betoogt dat ondanks de mogelijkheid van verkoop van het perceel aan de gemeente sprake is van spoedeisend belang omdat het ontwikkelresultaat bij verkoop aan de gemeente niet zou worden vergoed overweegt de voorzieningenrechter dat, nog afgezien van voor een ontwikkeling noodzakelijke planologische procedures, niet blijkt van een concreet ontwikkelingsplan op basis waarvan verzoekster financieel voordeel kan verwachten. In het licht van het voorgaande kan verzoekster, anders dan zij heeft gesteld, aan het aflopen van de geldingstermijn per 31 december 2026 van de met de gemeente gesloten voorovereenkomst over ontwikkeling van de locatie [bedrijfsnaam] geen spoedeisend belang ontlenen. Voor zover verzoekster stelt dat sanering van de grond vanwege, een verleende provinciale subsidie, uiterlijk 1 januari 2030 moet zijn afgerond volgt de voorzieningenrechter de raad in het standpunt dat het voorkeursrecht geen wijziging brengt in de mogelijkheid het perceel tijdig te saneren.
3.5
Gelet op het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat een voldoende spoedeisend belang ontbreekt.
Evident onrechtmatig?
4. Omdat voldoende spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoekster gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de raad ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven.
4.1
De voorzieningenrechter ziet op basis van de stukken en hetgeen op de zitting is besproken geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende.
4.2
Pas op de zitting heeft verzoekster gesteld dat de Omgevingsvisie [plaats ] 2050 (de omgevingsvisie) niet voorziet in een van het huidige gebruik afwijkende toegedachte functie. Volgens verzoekster volgt dit uit het feit dat al sprake is van een gemengd woon- en werkgebied als bedoeld in de omgevingsvisie. De raad heeft er op de zitting op gewezen dat ook een intensivering van gebruik als woon- en werkgebied een grondslag vormt voor de vestiging van het voorkeursrecht. De voorzieningenrechter kan de raad hierin volgen en ziet niet in dat in dit geval niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 9.1, eerste lid, van de Ow.
4.3
Verder is het besluit van de raad blijkens het dictum gebaseerd op artikel 9.1, eerste lid, van de Ow. Het dictum verwijst niet specifiek naar een onderdeel van het eerste lid van dit artikel. Anders dan verzoekster stelt blijkt uit het dictum van het besluit daarom niet dat dit is gebaseerd op artikel 9.1, eerste lid, onderdeel c, van de Ow. De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit van het college is gebaseerd op artikel 9, tweede lid, van de Ow. Reeds hierom volgt de voorzieningenrechter verzoekster niet in het betoog dat het besluit van de raad, als voortzetting van het besluit van het college, ten onrechte is gebaseerd op artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ow. Overigens kan de voorzieningenrechter de raad erin volgen dat uit het raadsvoorstel (document 299798) dat ten grondslag ligt aan het raadsbesluit van 24 september 2025 duidelijk blijkt dat de omgevingsvisie de grondslag is voor de vestiging van het voorkeursrecht. Naar voorlopig oordeel is daarmee voldoende duidelijk dat het voorkeursrecht is gevestigd op grondslag van artikel 9.1, eerste lid, onder b, van de Ow.
4.4
Ook in hetgeen verzoekster aanvoert over de gemaakte belangenafweging ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt voor evidente onrechtmatigheid. Uit het anonimiseren van het perceelnummer en de naam van verzoekster in documenten voor de raad kan niet worden afgeleid dat persoonlijke en individuele belangen niet door de raad zijn betrokken in het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de bij het raadsbesluit behorende zienswijzenota en het (ongedateerde) advies van de commissie voor de bezwaarschriften wordt ingegaan op de door verzoekster naar voren gebrachte belangen.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.