ECLI:NL:RBDHA:2026:13202

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
SGR 24/7556
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:25 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij machtiging tot binnentreden woning

Deze bestuursrechtelijke procedure betreft het beroep van eiseres tegen een machtiging tot binnentreden in een woning die zij voorheen huurde. De burgemeester van Zoetermeer had een toezichthouder gemachtigd om zonder toestemming de woning binnen te treden vanwege woonoverlast gemeld door de eigenaar, woningcorporatie Stedelink.

Na het binnentreden werd het gebruik van de woning met spoedeisende bestuursdwang verboden vanwege geconstateerde risico’s. De woningeigenaar gaf opdracht tot schoonmaak en opruimwerkzaamheden, waarna het gebruiksverbod werd opgeheven. Eiseres werd vervolgens geconfronteerd met kosten die zij niet wilde dragen en stelde ook schade te hebben geleden door het meenemen van eigendommen, waaronder een gehoorapparaat.

De rechtbank oordeelt dat het beroep zich uitsluitend richt op de rechtmatigheid van de machtiging tot binnentreden. Omdat het handhavend optreden beperkt bleef tot het gebruiksverbod en de kosten door een private partij zijn gemaakt, ontbreekt een besluit tot kostenverhaal. Hierdoor heeft eiseres geen actueel en reëel belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Ook de gestelde schade aan eigendommen kan in deze procedure niet worden getoetst.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Eiseres wordt geadviseerd haar vorderingen omtrent kosten en schade rechtstreeks bij de betrokken private partijen in te dienen. Het griffierecht wordt niet teruggegeven en proceskosten worden niet vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7556

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

en

de burgemeester van Zoetermeer,

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze procedure gaat over de rechtmatigheid van een machtiging tot binnentreden in de woning aan de [adres] in [plaats] (de woning). Het bezwaar dat eiseres hiertegen heeft gemaakt, is ongegrond verklaard. Tegen het besluit waarbij dat is gebeurd, heeft eiseres beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep omdat zij hierdoor niet in een betere positie kan komen te verkeren. Haar beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Inleiding

2. Woningcorporatie Stedelink (Stedelink) in [plaats] is eigenaar van de voorheen door eiseres gehuurde woning [adres] in [plaats]. Op 15 september 2023 heeft Stedelink bij de [gemeente] melding gemaakt van woonoverlast.
2.1.
Met het besluit van 16 januari 2024 heeft de burgemeester een machtiging verstrekt aan een toezichthouder van de [gemeente] om zonder toestemming van de bewoner binnen te treden in de woning.
2.2.
Nadat in de woning was binnengetreden, is door de toezichthouder vanwege de door hem geconstateerde situatie in de woning en de daaraan voor eiseres en omwonenden verbonden risico’s met toepassing van spoedeisende bestuursdwang het gebruik van de woning onmiddellijk gestaakt, wat met het besluit van 24 januari 2024 op schrift is gesteld.
2.3.
Op 1 februari 2024 is het verbod op het gebruik van de woning weer opgeheven, wat met het besluit van 5 februari 2024 op schrift is gesteld. Dit besluit vermeldt onder meer: “(…)
Met uw toestemming gaf de woningeigenaar, Stedelink, een professioneel schoonmaakbedrijf de opdracht om de woning schoon te maken en op te ruimen.(…).”
2.4.
Bij brief van 21 maart 2024 heeft Stedelink aan eiseres meegedeeld facturen te hebben ontvangen voor de werkzaamheden in de woning en haar het totaalbedrag van die facturen van € 11.391,94 in rekening te brengen. De brief specificeert dat het gaat om:
  • een factuur voor het vervangen van de toiletpot en de keuken van € 2.904,-;
  • een factuur van [bedrijfsnaam] BV voor het opruimen en leeghalen van € 7.442,94;
  • een factuur van de hovenier in verband met het onkruidvrij maken van de tuin van € 1.045,-.

Procesverloop

3. Met het besluit op bezwaar van 8 juli 2024 heeft verweerder de machtiging tot binnentreden gehandhaafd (het bestreden besluit).
3.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3.2.
Het onderzoek ter zitting, dat is aangevangen op 26 september 2025, is op de zitting van 24 februari 2026 voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van verweerder.
3.3.
Op de zitting van 24 februari 2026 is het onderzoek voor een tweede maal geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op het extract proces-verbaal van de zitting dat haar door de rechtbank op 5 maart 2026 is toegezonden. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat eiseres het verloop van de zitting niet of slechts gedeeltelijk leek te kunnen volgen vanwege het feit dat zij niet beschikt over gehoorapparaten. De aan eiseres geboden reactietermijn is op 19 maart 2026 ongebruikt verstreken.
3.4.
De rechtbank heeft partijen nadien in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken kenbaar te maken of zij gebruik willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Nadat de hiervoor bedoelde termijn ongebruikt was verstreken, heeft de rechtbank het onderzoek op 19 mei 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geding
4. De rechtbank stelt voorop dat het in deze procedure alleen gaat over de machtiging tot binnentreden, zoals gehandhaafd in het bestreden besluit.
4.1.
Het besluit waarbij het gebruik van de woning is verboden en het besluit waarbij dit verbod weer is opgeven, zoals gehandhaafd bij een afzonderlijk besluit op bezwaar, maakten deel uit van een afzonderlijke beroepsprocedure met zaaknummer SGR 24/9208. Dat beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 6 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
Heeft eiseres belang bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep?
5. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiseres procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Daartoe is de bestuursrechter namelijk alleen gehouden als eiseres daarbij nog een actueel en reëel belang heeft. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat eiseres concreet met het beroep wil of kan bereiken. [1]
5.1.
Met het beroep wil eiseres bereiken dat de aan haar in rekening gebrachte kosten niet bij haar worden neergelegd. In aanvulling hierop heeft zij aangevoerd dat spullen uit haar woning zijn meegenomen die zij niet heeft terugontvangen, waaronder haar gehoorapparaat. Daarvoor wil zij een schadevergoeding.
5.2.
Na het binnentreden in de (toenmalige) woning van eiseres heeft de toezichthouder handhavend opgetreden door geconstateerde overtredingen en risico’s vast te leggen en een verbod op het gebruik van de woning op te leggen. Feitelijk handelen is door het college echter achterwege gelaten. Niet het college van burgemeester en wethouders van [plaats], maar Stedelink heeft in de periode tussen het gebruiksverbod en de opheffing daarvan opdracht gegeven voor de werkzaamheden in en rondom de woning. Stedelink trad hierbij als woningeigenaar op als private partij. Doordat het handhavend optreden beperkt is gebleven tot het verbod op het gebruik van de woning, ontbreekt een besluit tot vaststelling van de kosten van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:25 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is dan ook geen sprake van kostenverhaal.
5.3.
De betwisting van de rechtmatigheid van de machtiging tot binnentreden behoeft om die reden geen bespreking. Een eventueel gebrek aan de machtiging zou hooguit kunnen leiden tot het oordeel dat het bestuursorgaan niet tot kostenverhaal had mogen overgaan [2] , maar daarvan is hier geen sprake. Het gestelde verlies van waardevolle eigendommen, waaronder een gehoorapparaten, kan evenmin leiden tot procesbelang in deze procedure. Dit betreft gestelde schade als gevolg van feitelijk handelen in opdracht van een private partij, wat losstaat van de rechtmatigheid van de machtiging tot binnentreden en in deze procedure niet kan worden getoetst.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
6. Ter voorlichting overweegt de rechtbank dat eiseres zich voor de aan haar doorberekende (schoonmaak)kosten kan wenden tot Stedelink en voor de gestelde vermissing van waardevolle eigendommen kan wenden tot het bedrijf dat de woning heeft opgeruimd en leeggehaald ([bedrijfsnaam] BV).

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie r.o. 5 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1439.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:545, r.o. 11.2.