ECLI:NL:RBDHA:2026:13203

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
26-3143
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArtikel 2.16 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen tijdelijke uitweg wegens ontbreken spoedeisend belang

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten verleende omgevingsvergunning voor het maken van een tijdelijke uitweg op een locatie in Voorschoten.

Verzoekers stelden dat er sprake was van spoedeisend belang vanwege de reeds aangevangen werkzaamheden en de vermeende verkeers- en overlastproblemen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de bouwweg niet onder de vergunning viel en dat de uitweg en bouwweg reeds waren gerealiseerd en in gebruik genomen, waardoor het beoogde doel van het verzoek niet meer kon worden bereikt.

Daarnaast was onvoldoende onderbouwd dat het gebruik van de uitweg tot onaanvaardbare verkeersveiligheid of overlast leidde. De voorzieningenrechter concludeerde dat het ontbreken van spoedeisend belang tot afwijzing van het verzoek leidde, zonder inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit.

De uitspraak is gedaan op 27 mei 2026 door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de tijdelijke uitweg wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3143

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en anderen, te [woonplaats], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten, het college

(gemachtigde: mr. M. el Hachmioui).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij] B.V., te Katwijk (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het maken van een tijdelijke uitweg op de [straatnaam] tegenover [huisnummers] te [plaats] voor een periode van 5 jaar.
Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 31 maart 2026 heeft het college vergunninghoudster de hiervoor genoemde omgevingsvergunning verleend voor (1) een aanlegactiviteit, (2) een omgevingsplanactiviteit voor het maken of veranderen van een (tijdelijke) uitweg en (3) een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op het gebruik van de uitweg. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekers hebben nadere stukken overgelegd.
2.2
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers [verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3], de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1] en [naam 2], en namens vergunninghoudster [naam 3].
2.3
Verzoekers hebben na de sluiting van het onderzoek in kopie een e-mailbericht aan de Omgevingsdienst West-Holland toegezonden. In artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken is bepaald dat na sluiting van het onderzoek ter zitting ongevraagd ingediende stukken buiten beschouwing blijven, tenzij deze aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. De voorzieningenrechter ziet in de toegezonden e-mail geen aanleiding tot heropening van het onderzoek en laat die dan ook verder buiten beschouwing.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening zich onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht
3.1
Verzoekers wensen met dit verzoek te voorkomen dat de aanleg van de uitweg en de bouwweg wordt uitgevoerd totdat het college op hun bezwaren heeft beslist. Zij stellen dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat de werkzaamheden voor de aanleg van de bouwweg op 7 april 2026 zijn aangevangen en nu al leiden tot opstoppingen en gevaarlijke verkeerssituaties.
3.2
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college met deze omgevingsvergunning drie omgevingsplanactiviteiten heeft vergund die betrekking hebben op het realiseren en gebruiken van de uitweg en niet op de bouwweg. De bouwweg is dus niet vergund met het bestreden besluit.
3.3
Op de zitting is gebleken dat de uitweg en bouwweg inmiddels zijn gerealiseerd en feitelijk al in gebruik zijn. Het door verzoekers beoogde doel van deze procedure, te weten het voorkomen van de aanleg en ingebruikname van de uitweg, kan daarom niet meer worden bereikt. Verzoekers kunnen daaraan dus geen spoedeisend belang meer ontlenen.
3.4
Alleen als voortzetting van het gebruik van de uitweg zou leiden tot onaanvaardbare overlast voor de omgeving en onaanvaardbare verkeersonveilige situaties zou veroorzaken, zou dat een spoedeisend belang kunnen opleveren voor zover het gaat om de buitenplanse omgevingsplanactiviteit die gebruik van gronden ten behoeve van de tijdelijke uitweg mogelijk maakt, in afwijking van het Omgevingsplan gemeente Voorschoten. In dat geval zou immers moeten worden geoordeeld dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alleen onder die omstandigheden kan de beslissing op bezwaar niet worden afgewacht.
3.5
Verzoekers hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onderbouwd dat de verkeersveiligheid op de [straatnaam] ernstig in het gedrang is gekomen door het gebruik van de uitweg. Daarnaast is het aannemelijk dat de door verzoekers gestelde stof-, geluid- en trillingsoverlast hoofdzakelijk het gevolg is van het gebruik van de bouwweg en niet van het gebruik van de uitweg. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de uitweg is verhard en de bouwweg niet. Daarom kunnen verzoekers hieraan ook geen spoedeisend belang ontlenen. Verder zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
3.6
Het voorgaande betekent dat het verzoek wegens het ontbreken van spoedeisend belang zal worden afgewezen. De voorzieningenrechter komt daarom niet toe aan het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.