Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13217

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26504
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 9 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Algerijnse nationaliteit, heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.

De rechtbank heeft op 21 mei 2026 de zaak behandeld waarbij eiser is verschenen met zijn gemachtigde en een tolk. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De maatregel is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal ontwijken, mede vanwege het niet op de juiste wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet opvolgen van vertrekbevelen.

Eiser betwist de gronden voor de maatregel niet, maar beroept zich op het non-refoulementbeginsel vanwege problemen met zijn familie in Algerije. De rechtbank overweegt dat dit beroep reeds in een eerdere asielprocedure is beoordeeld en verworpen, en dat het hoger beroep hiertegen geen schorsende werking heeft. De minister heeft dit standpunt gemotiveerd bevestigd.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26504

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. S.L. Sarin,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. El Mathari. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Algerijnse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1989 of 1992.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen.
4. Voor zover eiser een beroep doet op het beginsel van non-refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser stelt dat hij niet kan terugkeren naar Algerije vanwege problemen met zijn familie. Wat eiser in dit kader aanvoert, komt overeen met wat hij in zijn (opvolgende) asielprocedure heeft verklaard. Eiser heeft op 31 januari 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 11 februari 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft op 4 mei 2026 het beroep gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat ziet op de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld, met inachtneming van de door eiser aangevoerde gronden omtrent zijn gestelde vrees, dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij als gevolg daarvan problemen zou kunnen krijgen bij terugkeer naar Algerije. [1] Eiser heeft weliswaar hiertegen hoger beroep ingesteld, echter heeft het hoger beroep geen schorsende werking en is niet gebleken dat er een voorlopige voorziening is toegewezen. De minister is in de maatregel bovendien opnieuw ingegaan op eisers verklaring en heeft gemotiveerd dat dat geen beletsel vormt. Eiser heeft zijn, reeds beoordeelde, stelling over het risico op refoulement niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig was. [2]
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.NL26.7826
2.ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:NL:RVS:2026:329.