Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13223

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
NL26.27008
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 sub a Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt en de uitzettingsprocedure belemmert.

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, betwist enkele gronden voor de bewaring, maar de rechtbank oordeelt dat de overige, niet betwiste gronden voldoende zijn om de maatregel te dragen. De rechtbank wijst het verweer dat het recht op rechtsbijstand is geschonden af, omdat uit het dossier blijkt dat de advocaat tijdig is geïnformeerd en contact heeft gehad met eiser.

De minister heeft ter zitting aangegeven dat er zicht is op uitzetting naar Algerije, aangezien een laissez passer aanvraag loopt en de Algerijnse autoriteiten geen weigering hebben gemeld. De rechtbank benadrukt dat de duur van de bewaring mede afhankelijk is van de medewerking van eiser.

De rechtbank concludeert dat de maatregel niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27008

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. H.A. Limonard,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. El Mathari. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Gemachtigde van eiser stelt dat onduidelijk is hoe het is verlopen met de piketmelding naar de advocaat.
3.1
Voor zover gemachtigde van eiser hiermee bedoeld heeft te zeggen dat het recht op rechtsbijstand is geschonden, volgt de rechtbank gemachtigde van eiser hierin niet. Uit het dossier blijkt dat de piketmelding is verzonden en dat deze is geaccepteerd, dat eiser met de advocaat heeft gesproken en dat de advocaat heeft aangegeven niet bij het gehoor aanwezig te willen of kunnen zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser betwist de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde zware gronden 3d, 3i en de lichte grond 4c. De rechtbank is echter van oordeel dat de overige, ook niet betwiste, gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd hoeft daarom geen bespreking.
5. Ten aanzien van het zicht op uitzetting heeft de minister ter zitting meegedeeld dat laissez passer (lp) aanvraag loopt en er regelmatig wordt gerappelleerd. De autoriteiten van Algerije hebben niet aangegeven dat voor eiser geen lp zal worden verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. Daarbij overweegt de rechtbank dat het komt voor rekening en risico van eiser komt dat de bewaring langer duurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet. Eiser kan de duur van de bewaring verkorten door volledig mee te werken.
6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig was. [1]
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2026:148.