ECLI:NL:RBDHA:2026:1323

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1781
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, is op 9 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister motiveerde dit met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren, onder meer vanwege het niet op juiste wijze binnenkomen, eerdere overtredingen van toezicht, het niet meewerken aan vaststelling identiteit en het niet naleven van terugkeerverplichtingen.

Eiser betwist slechts één zware grond (3l) die de minister ter zitting heeft laten vallen; de overige gronden worden niet betwist en als feitelijk juist erkend. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit en inreisverbod van 5 januari 2026 overbodig zijn omdat eerdere besluiten al waren genomen en dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen omdat geen nieuwe laissez-passer-aanvraag bij Marokkaanse autoriteiten zou zijn ingediend.

De rechtbank oordeelt dat de overige gronden voldoende zijn om de maatregel te dragen en dat de minister wel degelijk voortvarend handelt, met een lopende laissez-passer-aanvraag sinds juli 2025 en frequente rappels aan de Marokkaanse autoriteiten. Ook is een vertrekgesprek met eiser geprobeerd, maar geweigerd door eiser zelf. De maatregel is niet onrechtmatig gebleken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1781

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
-
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;-
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;-
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;-
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;-
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;-
3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
-
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;-
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;-
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;-
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat zware grond 3l niet is aangekruist in de maatregel maar dat deze grond in de maatregel wel wordt gemotiveerd. De overige gronden worden door eiser niet betwist en eiser bevestigt de feitelijke juistheid hiervan.
4. Verweerder heeft ter zitting zware grond 3l laten vallen.
5. De rechtbank stelt vast dat de overige zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.

Terugkeerbesluit

6. Eiser voert aan dat hij op 5 januari 2026 een terugkeerbesluit heeft ontvangen met een inreisverbod. Eiser zat ten tijde van de oplegging hiervan echter nog in België en is daarom niet in staat geweest om dit besluit te kunnen ontvangen. Ook is aan eiser op 23 december 2025 al een beschikking uitgevaardigd door verweerder waarin een terugkeerbesluit en inreisverbod zijn opgenomen. Het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod van 5 januari 2026 zijn daarmee overbodig. Daarbij is ook in juli 2025 aan eiser al een terugkeerbesluit opgelegd waarin Marokko is genoemd als land waarnaar hij dient terug te keren.
7. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van verweerder ter zitting dat eiser in het verleden in bewaring is gesteld na het in juli 2025 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod. Dit terugkeerbesluit is vernietigd, maar destijds is wel een lp-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Aan eiser is op 23 december 2025 een nieuw terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Voor zover in de maatregel van bewaring staat opgenomen dat aan eiser op 5 januari 2026 het terugkeerbesluit is opgelegd, heeft verweerder ter zitting voldoende gemotiveerd dat dit de datum is waarop dit terugkeerbesluit van de publicatie van het terugkeerbesluit in de Staatscourant betreft.
Voortvarend handelen
8. Eiser voert aan dat uit zijn dossier volgt dat verweerder op 5 januari 2026 vingerafdrukken van eiser heeft afgenomen, maar niet is gebleken dat verweerder een lp [3] -aanvraag heeft ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Zolang de lp-aanvraag niet is ingediend werkt verweerder onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er een lp-aanvraag voor eiser loopt sinds juli 2025 en dat consistent en frequent gerappelleerd wordt, met als laatste datum van rappel 8 januari 2026. Verweerder is daarbij afhankelijk van de Marokkaanse autoriteiten en moet de kans worden geboden om hun reactie af te wachten. Ook is op 15 januari 2026 gepoogd om een vertrekgesprek te voeren met eiser. Dit gesprek vond geen doorgang omdat eiser heeft verklaard hier geen behoefte aan te hebben.
10. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3.Laissez-passer.