ECLI:NL:RBDHA:2026:1326

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1779
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b VbArt. 67 WetArt. 66a WetArt. 8 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 5 januari 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op meerdere gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht.

Eiser betwistte enkele gronden, waaronder de c- en d-grond, maar verweerder liet deze vallen tijdens de zitting. De rechtbank oordeelde dat de overgebleven zware gronden feitelijk juist waren en de maatregel van bewaring rechtvaardigden. Daarnaast werd het aanvullend terugkeerbesluit en de toestemming van het openbaar ministerie voor uitzetting als rechtmatig beoordeeld.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1779

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1996 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (b-grond). Als zware gronden [1] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
-
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;-
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;-
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;-
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;-
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;-
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;-
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;-
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
-
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;-
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;-
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;-
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;-
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (c-grond).
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn (d-grond).
3. Eiser betwist de c-grond en de d-grond.
4. Ter zitting heeft verweerder de c-grond en de d-grond, evenals de zware gronden 3f, 3h en 3j, en de lichte grond 4e laten vallen.
5. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [3] volgt dat voor het opleggen van de overige in de maatregel genoemde zware gronden alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. [4] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft immers verklaard op 5 januari 2026 illegaal te zijn ingereisd en niet over een geldig paspoort of visum te beschikken. Verder heeft hij geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf en zich in het verleden meermaals aan het toezicht onttrokken door met onbekende bestemming te vertrekken. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Aanvullend terugkeerbesluit en premature toestemming
6. Ook voert eiser aan dat, gelet op zijn lopende asielaanvraag, er ten onrechte een aanvullend terugkeerbesluit is genomen en prematuur toestemming is verleend door het openbaar ministerie voor zijn uitzetting.
7. Uit de toelichting van verweerder ter zitting en op basis van het dossier begrijpt de rechtbank dat het aanvullend terugkeerbesluit van 5 januari 2026 onverplicht is genomen nu het nog niet uitgewerkte terugkeerbesluit van 3 mei 2023 reeds Algerije als land van terugkeer noemt. Verweerder benadrukt dat het aanvullende terugkeerbesluit niet afdoet aan de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring. De rechtbank volgt verweerder op dit punt. Ook de door het openbaar ministerie gegeven toestemming voor eisers uitzetting doet aan de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel van bewaring geen afbreuk. Eiser is hiermee niet in zijn belangen geschaad.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.