Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13263

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
09/132457-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van hasjiesj, vuurwapen en munitie met gevaarlijke situatie in woning

De rechtbank Den Haag heeft op 22 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van het bezit van hasjiesj, een vuurwapen van categorie III en munitie. Op 28 mei 2023 werd in een woning een vuurwapen afgegaan, waarbij een kogel via het plafond in de bovenliggende woning terechtkwam, bijna een bewoonster rakend. Tevens werd in de woning een aanzienlijke hoeveelheid hasjiesj en 35 patronen munitie aangetroffen.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk de hasjiesj en het vuurwapen met munitie in zijn bezit had. Dit werd onderbouwd met bewijsmiddelen zoals DNA-sporen op de munitie en de locatie van de drugs in de slaapkamer van de verdachte. De verdediging voerde aan dat de munitie in de auto niet tot de bewezenverklaring kon behoren en dat de hasjiesj mogelijk van de broer was, maar deze verweren werden verworpen.

De rechtbank nam de ernst van de feiten zwaar mee, vooral het feit dat het vuurwapen daadwerkelijk afging in een woonomgeving met gevaar voor derden. De verdachte had geen strafblad voor soortgelijke feiten, maar ontkende en gaf geen inzicht in zijn gedrag. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn met bijna drie maanden werd de straf verminderd van negen naar acht maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en legde de straf op met aftrek van de tijd in voorarrest. De straf is gebaseerd op artikelen uit het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor bezit van hasjiesj, vuurwapen en munitie met gevaarlijke situatie in woning.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/132457-23
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. Noort, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. N.B. Genemans, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 28 mei 2023 te 's-Gravenhageopzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15,05 kilogram (bruto) en/of 90,9 gram (netto), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij tezamen en in vereniging, althans alleen, op of omstreeks 28 mei 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een onbekend merk en type, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of
- munitie van categorie III, te weten 36, in elk geval een of meerdere 9x19 mm patro(o)n(en) van het merk/type Sterling
voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 en 2, eerste gedachtestreepje, ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2, tweede gedachtestreepje, ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de op 31 mei 2023 in de auto aangetroffen munitie geen onderdeel kan uitmaken van de bewezenverklaring, gelet op de pleegdatum in de tenlastelegging.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Feit 1
De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij geen wetenschap had van de hasjiesj die zijn aangetroffen in de woning aan de [adres 2] . Volgens de verdachte kan zijn broer, die een gebruiker is en vaak in de woning komt, er mogelijk iets mee te maken hebben. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de hasjiesj zijn aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte. De broer van de verdachte verklaart dat deze slaapkamer van de verdachte is. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen. In de slaapkamer zijn namelijk persoonlijke spullen van de verdachte aangetroffen, waaronder zijn paspoort. De enkele verklaring dat de broer “er mogelijk iets mee te maken heeft”, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Feit 2
Het wapen
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af. Op 28 mei 2023 zijn de verdachte en medeverdachte [de medeverdachte] (hierna: medeverdachte) de woning aan de [adres 2] ingegaan. Aldaar ging een wapen af waarvan is vast komen te staan dat dit een wapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie (WWM) was. Het ging om een harde knal die de woning via het plafond van een slaapkamer verliet en in de bovengelegen woning terechtkwam. Eén minuut voordat de bewoonster van de bovengelegen woning een melding bij de politie had gedaan, verliet de medeverdachte de woning. Zes minuten na de melding verliet de verdachte het pand. Op straat hebben zij elkaar weer opgezocht.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend bewezen. Er waren slechts twee personen in de woning – de verdachte en de medeverdachte –, het afgaan van het wapen veroorzaakte een luide knal en kort daarna verlieten zij allebei de woning. Dit levert wetenschap, beschikkingsmacht en een bewuste en nauwe samenwerking op.
De munitie
De rechtbank stelt vast dat tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] in de meterkast een doos met munitie, te weten 35 patronen, is aangetroffen. Vaststaat dat dit munitie van categorie III van de WWM is.
Op basis van de gebruikte bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte zich op de ten laste gelegde datum bewust is geweest van de aanwezigheid van de munitie in de woning en daar ook over heeft kunnen beschikken. De rechtbank overweegt hiertoe dat DNA van de verdachte is aangetroffen op vijf kogelkoppen van patronen en op de tray en de doos waarin deze munitie zich in bevond. Dat schreeuwt om een verklaring van de verdachte, maar die heeft hij niet gegeven. Verder is DNA van de medeverdachte gevonden op vijf kogelkoppen van patronen en op de tray en de doos waarin deze munitie zich in bevond.
De rechtbank acht de tenlastelegging ook in zoverre wettig en overtuigend bewezen. Dit geldt niet voor de kogel die is gevonden in de auto van de verdachte, reeds omdat die kogel niet op of omstreeks de ten laste gelegde datum is gevonden.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 28 mei 2023 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15,05 kilogram (bruto) en/of 90,9 gram (netto) van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2
hij tezamen en in vereniging op 28 mei 2023 te 's-Gravenhage
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een onbekend merk en type, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- munitie van categorie III, te weten
35 stuks9x19 mm patronen van het merk Sterling voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft verzocht te volstaan met een forse taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hasjiesj. Het is algemeen bekend dat het bezit van softdrugs leidt tot verslaving aan het gebruik ervan. Dit vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. Bovendien heeft een groot deel van de criminaliteit direct of indirect zijn oorsprong in de handel in en het gebruik van verdovende middelen, met veel geweld, schade en overlast als gevolg. Verder heeft de verdachte samen met een ander een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De ervaring leert dat het bezit van vuurwapens gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan met mogelijk zeer ernstige gevolgen. In deze zaak is het vuurwapen daadwerkelijk afgegaan. Dit gebeurde in een woning waar direct boven een bovenwoning is gelegen. De bewoonster van deze bovenwoning was thuis toen een kogel door haar vloer en plafond werd geschoten. De kogel heeft haar op enkele meters gemist. De verdachte heeft kennelijk in het geheel niet stil gestaan bij de risico’s van het voorhanden hebben van een vuurwapen en de ernstige gevolgen die daarmee hadden kunnen worden veroorzaakt.
In het bijzonder de combinatie van de bewezen verklaarde feiten – drugs, wapen en munitie – weegt de rechtbank strafverzwarend mee.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De op te leggen straf
Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank heeft goed gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, maar die leiden niet tot een andere uitkomst. Daar is het bewezen verklaarde simpelweg te ernstig voor. Bovendien werkt de proceshouding van de verdachte niet in zijn voordeel. Zo heeft de verdachte tegen beter in ontkend en geen inzicht gegeven in zijn gedrag.
De rechtbank acht een gevangenisstraf van negen maanden in beginsel passend en geboden. In deze zaak is de redelijke termijn van berechting echter met bijna drie maanden overschreden. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om een maand in mindering te brengen op dit uitgangspunt. Aldus zal zij de verdachte een gevangenisstraf van acht maanden opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
8(
ACHT)
MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,
mr. C.M.A. de Koning, rechter,
mr. L. Anemaet, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2026.