ECLI:NL:RBDHA:2026:13267

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
C/09/683455 / FA RK 25-2745
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig gezag aan moeder wegens verstoorde communicatie en belemmering ontwikkeling kinderen

De rechtbank Den Haag behandelde op 19 maart 2026 het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over haar twee minderjarige kinderen te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. De moeder stelde dat de vader sinds 2020 nauwelijks meer het gezag uitoefent, afspraken uit het ouderschapsplan niet worden nagekomen en de communicatie tussen ouders ernstig verstoord is. Hierdoor raken de kinderen klem en wordt hun ontwikkeling, met name die van de jongste, belemmerd.

De vader erkende dat hij feitelijk geen gezag meer uitoefent, maar ontkende dat hij toestemming voor gezagsbeslissingen heeft geweigerd. Hij stelde dat de moeizame communicatie niet betekent dat gezamenlijke beslissingen onmogelijk zijn. De rechtbank concludeerde dat het gezamenlijk gezag sinds 2020 niet meer wordt uitgevoerd en dat de vader herhaaldelijk zijn toestemming niet tijdig heeft gegeven, wat de noodzakelijke hulpverlening aan de jongste belemmerde.

Gezien het ontbreken van een minimale basis voor gezamenlijk gezag en de nadelige gevolgen voor de kinderen, wees de rechtbank het verzoek van de moeder toe. De moeder krijgt voortaan het eenhoofdig gezag over beide kinderen, zonder dat dit het recht van de vader op contact met de kinderen aantast. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven op 22 april 2026.

Uitkomst: De moeder krijgt het eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen vanwege het ontbreken van een minimale basis voor gezamenlijk gezag en nadelige gevolgen voor de kinderen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2745
Zaaknummer: C/09/683455
Datum beschikking: 22 april 2026

Gezag

Beschikking op het op 7 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Braat te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

In de beschikking van 30 juni 2025 van deze rechtbank is bepaald dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie zal betalen van € 687,00 per maand voor beide kinderen tezamen. De behandeling van het verzoek met betrekking tot het gezag is aangehouden.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 15 mei 2025 namens de vrouw, met bijlagen.
Op 19 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.
Door de vader is op 13 april 2026 een brief bij de rechtbank ingediend. De rechtbank stelt vast dat deze brief na de zitting is ingediend en zal daarom in het kader van deze beschikking geen kennis nemen van deze brief.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:251a BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunt moeder
De moeder verzoekt het gezamenlijk gezag over de kinderen te beëindigen en haar met het eenhoofdig gezag te belasten. Zij onderbouwt haar verzoek als volgt. De afgelopen jaren is nauwelijks uitvoering gegeven aan de afspraken uit het ouderschapsplan. Ook de zorgregeling wordt niet meer door de vader nagekomen waardoor de kinderen hem niet regelmatig zien. De vader stuurt de kinderen daarnaast belastende berichten. De communicatie tussen de ouders verloopt al langere tijd niet goed. Als gevolg van de aanhoudende weigering van de vader om overleg te voeren met de moeder is er sprake van een situatie waarbij de kinderen klem en verloren raken. Er kunnen door het gebrek aan communicatie en het niet geven van toestemming geen gezagsbeslissingen worden genomen. De moeder heeft daardoor in het verleden al twee procedures voor vervangende toestemming gestart. De moeder voorziet dat bij het voortduren van het gezamenlijk gezag met name de ontwikkeling van [de minderjarige 2] wordt belemmerd vanwege zijn problematiek. Doordat de vader niet meer op de berichten van de moeder reageert, hij nauwelijks contact onderhoudt met de kinderen en zich terugtrekt uit de gezamenlijke gezagsuitoefening wenst de moeder belast te worden met het eenhoofdig gezag.
Standpunt vader
De vader geeft aan dat het verzoek van de moeder een kwestie van formaliseren is. Hij heeft sinds 2020 feitelijk geen mogelijkheid meer gehad om het gezag uit te oefenen, aldus de vader. Hij ontkent dat hij meermaals geen toestemming of medewerking heeft verleend voor het nemen van gezagsbeslissingen. Kortgeleden heeft hij nog toestemming geven voor de aanmelding van [de minderjarige 2] bij het voortgezet onderwijs. Hoewel hij erkent dat de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt, betekent dit volgens de vader niet dat er geen mogelijkheid is voor het nemen van gezamenlijke beslissingen. De vader benoemt dat hij regelmatig lang moet wachten voordat hij een reactie vanuit de moeder ontvangt.
Overweging rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kinderen kunnen voordoen. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat de verstandhouding tussen de ouders al langere tijd ernstig verstoord is en dat de onderlinge communicatie uiterst moeizaam verloopt. Het gezamenlijk gezag wordt in de praktijk – zoals door beide ouders op de zitting is bevestigd – sinds 2020 niet meer uitgevoerd. De afgelopen jaren heeft de vader meerdere malen geweigerd om (tijdig) zijn toestemming te verlenen waardoor de moeder al verscheidene gerechtelijke procedures heeft moeten starten om vervangende toestemming te verkrijgen voor gezagsbeslissingen. Door het uitblijven van toestemming van de vader, is de noodzakelijke hulpverlening voor [de minderjarige 2] niet van de grond gekomen, wat een belemmering vormt voor zijn ontwikkeling.
In het licht van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minimale noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag op dit moment ontbreekt en dat dit leidt tot nadelige gevolgen voor de kinderen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen, zodat zij voortaan eenhoofdig belast is met het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat dit niets afdoet aan de band tussen de vader en de kinderen en hun onderlinge recht op en belang bij regelmatig contact. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de moeder het contact tussen de vader en de kinderen in de weg zal staan.

BeslissingDe rechtbank

*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , het gezag zal toekomen over de minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] en
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] ;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, bijgestaan door mr. I.M. Kroon als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2026.