ECLI:NL:RBDHA:2026:13304

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
C/09/702031 / JE RK 26-494
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 lid 1 BWArt. 1:263 lid 3 BWArt. 611a RvArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing en afwijzing dwangsom in gezagszaak minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde op 22 april 2026 een verzoek van ouders tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling betreffende de verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind, die in een pleeggezin verblijft. De gecertificeerde instelling had de aanwijzing gegeven vanwege onvoldoende medewerking van de ouders aan het gezinsplan en de noodzaak om bedreigingen in de ontwikkeling van het kind weg te nemen.

De ouders stelden dat de aanwijzing onredelijk en onterecht was, met onjuistheden en een onwenselijke communicatievorm. De gecertificeerde instelling verzocht om bekrachtiging van de aanwijzing en oplegging van een dwangsom bij niet-naleving. De kinderrechter oordeelde dat de aanwijzing zorgvuldig en evenredig was en noodzakelijk om stagnatie in de hulpverlening te doorbreken.

Hoewel de ouders hun wantrouwen erkenden, toonden zij bereidheid tot medewerking aan het NIKA-traject en communicatie met de gecertificeerde instelling. Daarom werd de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd en het verzoek tot vervallenverklaring afgewezen. Het verzoek tot oplegging van een dwangsom werd afgewezen vanwege de beginnende positieve houding van de ouders, om verdere spanningen te voorkomen.

De beschikking is in het openbaar uitgesproken en staat geen hoger beroep tegen open.

Uitkomst: De rechtbank bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing en wijst het verzoek tot vervallenverklaring en het opleggen van een dwangsom af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/702031 / JE RK 26-494
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de vader] en [de moeder] ,
hierna te noemen: de ouders,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. V. de Roo uit Rotterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
[de pleegvader]en
[de pleegmoeder]hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met producties, ontvangen op 24 maart 2026;
- het verweerschrift van de gecertificeerde instelling, met zelfstandig verzoek, met bijlagen van 17 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder;
  • de advocaat van de ouders: mr. R.W. de Gruijl, waarnemend voor mr. V. de Roo;
- [naam 1] en [naam 2] .
De pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders op een juiste manier zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 maart 2027.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 maart 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 22 maart 2027.
2.5.
De GI heeft op 11 maart 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
- U bent (en blijft) bereikbaar voor de jeugdbeschermers; JBwest kan u schriftelijk, per email, in een fysiek gesprek, telefonisch en per whatsapp bereiken.
- U reageert binnen een reële termijn (binnen één week) op berichten van JBwest, ook als deze e-mails van andere organisaties zijn, zodat er geen onnodige vertraging ontstaat en het plan van aanpak niet steeds opnieuw stagneert.
- U brengt de betrokken jeugdbeschermers tijdig (binnen één week) op de hoogte van uw(veranderde) situatie, belangrijke gebeurtenissen of (gewijzigde) plannen die indirect de situatie van [minderjarige] aangaan. U geeft JBwest een volledig inzicht in uw plannen, waarbij u de jeugdbeschermers hierbij vooraf betrekt.
- U bent (fysiek) aanwezig op de gemaakte afspraken door JBwest en u weigert deze afspraken niet. U laat tijdig (bìnnen één week) weten als de afspraak niet past, waarbij u zelf met alternatieven komt.
- U bent (en blijft) gemotiveerd voor de inzet van hulpverlening (NIKA vanuit Jeugdformaat). U doorloopt het gehele traject en accepteert de gemaakte afspraken. U reageert binnen één week op berichtgeving en vult voor aanvang van het traject het toestemmingsformulier volledig en naar waarheid in. U stagneert de afspraken en voortang niet en neemt beiden deel aan het gehele traject.

3.Verzoeken

De ouders
3.1.
De ouders verzoeken de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling geheel vervallen te verklaren.
3.2.
De ouders hebben het verzoek – samengevat en zakelijk weergegeven – als volgt gemotiveerd. De ouders kunnen zich niet vinden in de schriftelijke aanwijzing. Volgens hen is de aanwijzing onredelijk en onterecht. De samenwerking met de gecertificeerde instelling loopt al langere tijd niet soepel en de ouders verwachten niet dat de aanwijzing een verandering in de situatie gaat brengen. Daarnaast bevat de schriftelijke aanwijzing veel onjuistheden waardoor de ouders in een kwaad daglicht worden geplaatst. Het klopt volgens de ouders niet dat zij weigerend, rigide en wantrouwend zijn en zij de pleegouders niet accepteren. Zij hebben alleen de wens dat [minderjarige] alsnog thuis wordt geplaatst. De ouders hebben de voorkeur dat de communicatie volledig via de e-mail gaat, zodat zij ook een schriftelijk bevestiging hebben van de afspraken met de gecertificeerde instelling en zij op deze manier ook een dossier kunnen opbouwen. Daarnaast reageren de ouders bijna altijd binnen de termijn van één week op berichten van de gecertificeerde instelling, waardoor de noodzaak voor dit deel van de aanwijzing ontbreekt. De gecertificeerde instelling heeft ook geen concrete voorbeelden naar voren gebracht, waaruit blijkt dat de ouders te laat reageren. Verder is het gedeelte van de aanwijzing die ziet op het op de hoogte houden van de gecertificeerde instelling over belangrijke gebeurtenissen en gewijzigde plannen te verstrekkend en niet noodzakelijk. De ouders hebben het idee dat de gecertificeerde instelling als enige doel heeft dat [minderjarige] niet meer bij hen kan wonen en volgens hen zijn de gesprekken niet meer gericht op een thuisplaatsing, terwijl het perspectief nog niet door de kinderrechter is bepaald. Gezien deze houding van de gecertificeerde instelling zien de ouders - als er niets verandert - geen meerwaarde in gesprekken met de gecertificeerde instelling. Daarbij brengt de advocaat naar voren dat de ouders in de afgelopen periode wel op één gesprek zijn geweest en wel degelijk naar afspraken komen, maar dat zij ook te maken hebben met andere afspraken en het werk van de vader. Ten aanzien van het gedeelte van de schriftelijke aanwijzing over het NIKA-traject is namens de ouders naar voren gebracht dat zij wel aan dit traject willen meewerken als dit plaatsvindt in het kader van een terugplaatsingsbeoordeling. Het perspectief is nog niet bepaald en als door de gecertificeerde instelling ook expliciet wordt toegezegd dat het NIKA-traject wordt ingezet in het kader van een terugplaatsingsbeoordeling dan kunnen de ouders zich hieraan committeren. De advocaat verzoekt om te overwegen om de beslissing over dit deel van de schriftelijke aanwijzing twee weken aan te houden, zodat de ouders kunnen laten zien dat zij zich daadwerkelijk aan deze toezegging zullen houden. Ter zitting hebben de ouders daarbij naar voren gebracht dat zij in het licht van het uitvoeren van het NIKA-traject openstaan voor gesprekken met de gecertificeerde instelling. Naast deze gesprekken willen de ouders ook schriftelijk blijven communiceren, zodat zij via de e-mail hun vragen kunnen stellen en er bij gesprekken ook verslaglegging plaatsvindt, zodat het niet alleen voor hen, maar bijvoorbeeld ook voor de rechtbank na te lezen is, wat er is gezegd.
De gecertificeerde instelling
3.3.
De gecertificeerde instelling verzoekt middels een zelfstandig verzoek om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling te bekrachtigen en verzoekt op grond van artikel 1:263 lid 3 BW Pro om een dwangsom op te leggen conform artikel 611a Rv ter hoogte van € 100 euro voor iedere dag/keer dat de ouders de aanwijzing niet naleven. De gecertificeerde instelling verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hieronder zal dit verzoek van de gecertificeerde instelling nader worden toegelicht.

4.De standpunten

4.1.
De gecertificeerde instelling voert verweer tegen het verzochte en verzoekt de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen en daarnaast een dwangsom op te leggen als de ouders zich niet aan de schriftelijke aanwijzing houden. De gecertificeerde instelling heeft de afgelopen periode veel geprobeerd in de samenwerking met de ouders, maar dit heeft nog niet het gewenste effect opgeleverd. Het is volgens de gecertificeerde instelling daarom noodzakelijk om duidelijke kaders te stellen middels een schriftelijke aanwijzing. De samenwerking met de ouders staat onder druk en de eigen visie van de ouders en het niet volledig of tijdig informeren draagt hieraan bij. De gecertificeerde instelling heeft zich ingespannen om aan te sluiten bij de wensen van de ouders, door onder meer door te gaan met de communicatie per mail, maar zij blijven bij het standpunt – wat zij ook naar de ouders hebben aangegeven – dat deze vorm van communiceren onwenselijk is voor de voortgang en besluitvorming. Er ontstaan zo langdurige e-mailwisselingen zonder resultaat, waardoor er stagnatie ontstaat op verschillende belangrijke onderwerpen, zoals onder meer de basisschoolkeuze, inschrijving en de inzet van passende hulpverlening. De ouders staan niet open voor mediation of een klachtgesprek. Volgens de gecertificeerde instelling zijn daarom al hun mogelijkheden uitgeput. De gecertificeerde instelling herkent dat de ouders het vertrouwen zijn verloren en wil benadrukken dat de schriftelijke aanwijzing geen diskwalificatie is van de ouders, maar dat zij hopen dat dit een handreiking kan zijn om de verschillende visies te laten toetsen door de rechtbank om in het belang van [minderjarige] tot stappen te komen binnen de maatregel. De inzet van het NIKA-traject is nodig voor de ouders om zo goed mogelijk te leren voorzien in de ontwikkelbehoeften van [minderjarige] en zicht te krijgen op de vraag of [minderjarige] bij de ouders kan opgroeien. Daarbij zijn er na de uithuisplaatsing signalen gezien van een verstoorde hechtingsrelatie en kan het NIKA-traject de gehechtheidsrelatie in kaart brengen en werken aan het verbeteren hiervan. Ondanks dat de ouders de afgelopen jaren meermaals hebben aangegeven te zullen meewerken aan dit traject is het de afgelopen twee jaar, door nieuwe voorwaarden en bezwaren vanuit de ouders, niet gelukt om het traject te starten. De gecertificeerde instelling benadrukt dat ook als [minderjarige] niet thuis gaat opgroeien het NIKA-traject alsnog van grote meerwaarde is. Ten aanzien van het doorgeven van belangrijke veranderingen blijft de aanwijzing binnen redelijke grenzen en voert hij niet te ver. Het gaat om belangrijke veranderingen, zoals bijvoorbeeld beschikbaarheid, hulpverlening of de woon- en leefsituatie. Dit is van belang om goed te kunnen afstemmen en de belangen van [minderjarige] te kunnen beschermen.
De gecertificeerde instelling verzoekt om een dwangsom te verbinden aan de schriftelijke aanwijzing, omdat zij niet de verwachting hebben dat de ouders uit eigen beweging de schriftelijke aanwijzing zullen opvolgen. Gelet op de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] en haar belangen kan verdere stagnatie van het traject niet worden aanvaard. Volgens de gecertificeerde instelling verzet de oplegging van de dwangsom zich niet tegen het belang van [minderjarige] . De gecertificeerde instelling heeft de hoop dat de dwangsom de ouders extra motiveert en activeert om in het belang van hun dochter de gewenste medewerking te verlenen aan de zorg die de gecertificeerde instelling voor [minderjarige] nodig acht. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling naar voren gebracht zich eventueel te kunnen vinden in een maximum van € 500,- zoals door de advocaat van de ouders is voorgesteld. Voor het overige refereert zij zich aan het oordeel van de kinderrechter.
4.2.
Door en namens de ouders wordt primair verzocht om het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing af te wijzen. Subsidiair verzoeken de ouders om slechts alleen de bekrachtiging toe te wijzen en de op te leggen dwangsom af te wijzen. Ten aanzien van het gedeelte over het NIKA-traject wordt het praktisch onuitvoerbaar om de dwangsom uit te voeren. Zo is niet concreet gemaakt wanneer en na bijvoorbeeld hoe veel dagen – als de ouders bijvoorbeeld niet hebben getekend – de dwangsom wordt verbeurd. Daarnaast is het onduidelijk wat er precies valt onder de term medewerken. Mocht de kinderrechter alsnog overgaan tot het opleggen van een dwangsom dan verzoeken de ouders om daarbij rekening te houden met hun financiële situatie, waarbij de moeder afhankelijk is van een uitkering en de vader een nul-uren contract heeft. Concreet verzoeken de ouders daarom om het bedrag per keer/dag voor de dwangsom sterk te verlagen en te maximeren tot € 500,-

5.De beoordeling

Bekrachtiging (en daarmee afwijzing verzoek vervallenverklaring) schriftelijke aanwijzing
5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:263 lid 1 BW Pro kan de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De gecertificeerde instelling kan dit doen indien de met het gezag belaste ouders of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van artikel 1:263 lid 3 BW Pro kan de gecertificeerde instelling de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen en daarbij tegelijkertijd een door de wet toegelaten dwangmiddel op te leggen als de schriftelijke aanwijzing niet wordt nagekomen, tenzij het belang het kind zich tegen oplegging daarvan verzet.
5.2.
De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of de ouders ontvankelijk zijn in hun verzoek. De kinderrechter constateert dat de ouders op 11 maart 2026 een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling hebben ontvangen en op 24 maart 2026 een verzoek tot vervallenverklaring van deze schriftelijke aanwijzing bij de rechtbank hebben ingediend. Het verzoek is binnen twee weken ingediend en de kinderrechter stelt vast dat aan de ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat de gecertificeerde instelling bevoegd was om de schriftelijke aanwijzing te geven. Volgens de kinderrechter valt de schriftelijke aanwijzing binnen de uitvoering van de taak van de gecertificeerde instelling en betreft deze de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Daarnaast stelt de kinderrechter vast dat de ouders niet, dan wel onvoldoende instemmen met het plan van aanpak c.q. gezinsplan, zoals opgesteld door de gecertificeerde instelling, met name ten aanzien van de samenwerking en de inzet van hulpverlening, zoals het NIKA-traject. In dat kader is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing nodig is om concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Dit leidt ertoe dat gecertificeerde instelling de schriftelijke aanwijzing mocht geven en de kinderrechter vervolgens toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter dient daarbij te beoordelen of de gecertificeerde instelling naar de huidige feiten en omstandigheden haar bevoegdheid – aan de hand van de zogenoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur – juist heeft aangewend.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 11 maart 2026 voldoende zorgvuldig, evenredig en deugdelijk gemotiveerd tot stand is gekomen. De ouders hebben een vooraankondiging ontvangen en de reactie van de ouders is meegenomen en verwerkt in de schriftelijke aanwijzing. Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling concreet en genuanceerd onderbouwd waarom volgens hen de aanwijzing nodig is om de ondertoezichtstelling uit te kunnen voeren en de ontwikkelingsbedreigingen bij [minderjarige] weg te laten nemen. Anders dan de ouders is de kinderrechter van oordeel dat de aanwijzing, gezien de huidige langdurige stagnatie in de samenwerking, het maken van afspraken en het starten van het NIKA-traject, evenredig en niet te verstrekkend is. In het belang van [minderjarige] is het van groot belang dat er de komende periode daadwerkelijk stappen vooruit worden gezet, zodat belangrijke (praktische) zaken voor haar ontwikkeling spoedig kunnen opgepakt en de hulp kan worden gestart die voor haar ontwikkeling nodig wordt geacht. In dat licht is het nodig dat de gecertificeerde instelling constructief in contact kan zijn met de ouders en zij op de hoogte zijn van belangrijke wijzigingen in het leven van de ouders. Gezien het voorgaande is het dan ook positief dat de ouders ter zitting hebben uitgesproken te zullen meewerken aan het NIKA-traject als dit plaatsvindt in het kader van een terugplaatsingsbeoordeling. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting bevestigd dat het NIKA-traject inderdaad wordt ingezet om te onderzoeken of een terugplaatsing mogelijk is en welke ondersteuning hiervoor passend en nodig is. De kinderrechter waardeert het dat de ouders daarnaast ter zitting een eerste stap hebben gezet richting de gecertificeerde instelling ten aanzien van de communicatie en het voeren van (fysieke) gesprekken. De ouders hebben te kennen gegeven te begrijpen dat het voor de uitvoering van het NIKA-traject – en om verdere stappen te zetten – nodig is dat zij weer in gesprek gaan met de gecertificeerde instelling. Hoewel deze toezeggingen een voorzichtig begin zijn in het herstellen van de samenwerking – en de kinderrechter de ouders daarvoor wil complimenteren -, ziet de kinderrechter nog wel aanleiding om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. De kinderrechter constateert dat er sprake is van een langdurige voorgeschiedenis tussen de ouders en de gecertificeerde instelling, waarbij er vanuit de ouders sprake is geweest van veel wantrouwen richting de gecertificeerde instelling. De vader heeft ook ter zitting te kennen gegeven dat dit wantrouwen niet opeens zal verdwijnen. Daarnaast neemt de kinderrechter mee dat de ouders eerder hebben aangegeven open te staan voor het NIKA-traject of het voeren van gesprekken met de gecertificeerde instelling, maar dat dit dan later alsnog is gestagneerd. Voor [minderjarige] is het ontzettend belangrijk dat de weg vooruit is ingezet en dat er niet nog verdere ruis en stagnatie van het traject plaatsvindt. De kinderrechter zal daarom de schriftelijke aanwijzing bekrachtigen en het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing afwijzen.
Dwangsom
5.4.
De kinderrechter zal het verzoek ten aanzien van het opleggen van een dwangsom afwijzen. De ouders hebben ter zitting toegezegd te zullen meewerken met het NIKA-traject en open te staan voor het herstarten van (fysieke) gesprekken. De kinderrechter heeft de hoop – en doet hierin ook een dringend beroep op de ouders – dat zij hun toezeggingen ook zullen naleven. Gelet op de (beginnende) meewerkende houding van de ouders is naar het oordeel van de kinderrechter een dwangsom op dit moment niet passend en geboden. Dit zal mogelijk de verhoudingen verder onder druk zetten, terwijl het van groot belang is voor [minderjarige] dat de samenwerking door de ouders met de gecertificeerde instelling wordt aangegaan.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 11 maart 2026 af;
6.2.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 11 maart 2026 van de gecertificeerde instelling;
6.3.
wijst af het verzoek tot het opleggen van een dwangsom op grond van artikel 1:263 lid 3 BW Pro en 611a Rv.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).