ECLI:NL:RBDHA:2026:13378

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
24 mei 2026
Zaaknummer
C/09/703130 / JE RK 26-603
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen wegens huiselijk geweld en veiligheidszorgen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen die getuige zijn geweest van huiselijk geweld en waarbij sprake is van veiligheidszorgen. De kinderen wonen bij hun moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De vader kampt met middelengebruik en emotionele problemen, en er is sprake van een turbulente en gewelddadige relatie tussen de ouders.

De moeder toont positieve opvoedvaardigheden en werkt mee aan hulpverlening, maar er zijn zorgen over haar wisselende houding ten opzichte van de vader en het bagatelliseren van de problematiek. Eerdere hulpverleningstrajecten zijn vroegtijdig beëindigd. De gecertificeerde instelling benadrukt het belang van blijvende betrokkenheid om de veiligheid van de kinderen te waarborgen.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is. Daarom wordt een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar opgelegd, met directe uitvoerbaarheid. De beslissing wordt geregistreerd in het gezagsregister en is aan te vechten via hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de drie minderjarige kinderen onder toezicht voor de duur van een jaar vanwege ernstige veiligheidszorgen en bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/703130 / JE RK 26-603
Datum uitspraak: 23 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
hierna ook tezamen te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in Den Haag,
advocaat: mr. M. Garib uit Rotterdam,
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op [geboortedatum 3] 2026;
  • het rapport van de Raad met bijlagen van 16 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de Raad;
  • de advocaat van de moeder;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De moeder heeft zich via haar advocaat afgemeld voor de zitting. De kinderrechter stelt vast dat de vader juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .
2.2.
[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 februari 2026 [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 27 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zijn in hun leven meermaals getuige geweest van geweldsincidenten van de vader richting de moeder en van het middelengebruik van de vader. De moeder laat wisselende signalen zien ten aanzien van de relatie met de vader en er is sprake van een gebrek aan probleembesef bij de ouders. De moeder toont onvoldoende verantwoordelijkheidsgevoel richting de kinderen. Zo brengt de moeder zichzelf en de kinderen in gevaar door de vader, tijdens een contactverbod, uit te nodigen in woning, bagatelliseert de moeder de zorgen en laat zij onvoldoende inzicht zien in haar problematiek en veiligheid. Er bestaan daarom grote zorgen dat de kinderen opnieuw getuige zullen zijn van ruzies en geweld tussen de ouders. Ondanks bovenstaande zorgen, worden er ook positieve ontwikkelingen waargenomen. De kinderen laten op dit moment geen duidelijke zorgelijke signalen zien en zij maken stappen in de ontwikkeling. De moeder is betrokken bij de kinderen en zij heeft oog voor hun behoeftes. Zij kan haar aandacht verdelen en biedt duidelijkheid en veiligheid aan de kinderen. De ouders zijn daarbij bereid om mee te werken aan de (ambulante) hulpverlening van Arosa. De vader heeft ook een intake gepland staan voor begeleid wonen en hij wil aan de slag met de behandeling voor zijn middelengebruik, emotieregulatie en (mogelijke) traumaproblematiek. Op dit moment werken de ouders mee aan de benodigde hulpverlening. Het verleden laat echter zien dat de hulpverleningstrajecten vroegtijdig werden beëindigd en sprake was van een gebrek aan openheid en ambivalentie in contact met de hulpverlening. De Raad acht het van groot belang dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft bij het gezin. Het is belangrijk dat de veiligheid van de kinderen wordt gewaarborgd, dat de schadelijke patronen in de dynamiek tussen de ouders duurzaam worden verbroken en dat de vader de hulpverlening aangaat voor zijn verslavingsproblematiek en agressieregulatie. Ook is het belangrijk dat er afspraken worden gemaakt over hoe de kinderen op een veilige manier contact kunnen hebben met de vader en dat er zicht komt op de effecten van de onrustige thuissituatie voor de kinderen. De jeugdbeschermer kan hier toezicht op te houden.

4.De standpunten

4.1.
Namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De advocaat van de moeder heeft naar voren gebracht dat er vanuit de moeder geen intentie is om de partnerrelatie met de vader te herstellen. De moeder heeft geen contact met de vader en zij heeft dan ook de gemaakte afspraken niet verbroken. Op dit moment is Arosa betrokken om het contact te herstellen en een veilige relatie, los van het hebben van een partnerrelatie, tussen de ouders vorm te geven. De moeder heeft daarbij wekelijks contact met een medewerker van Arosa. Ze heeft nog geen fysieke afspraken gehad, maar het is wel de bedoeling dat die gaan komen. Volgens de advocaat heeft het niet hebben van contact met de vader, gezorgd voor rust in de thuissituatie. De moeder ziet dat er hulpverlening nodig is, maar zij vindt niet dat een ondertoezichtstelling nodig is. De moeder kan de hulpverlening zelf organiseren.
4.2.
De gecertificeerde onderschrijft het verzoek van de Raad en heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het gaat goed met de kinderen bij de moeder en de kinderen hebben hun draai gevonden op school en/of de kinderopvang. De moeder laat goede opvoedvaardigheden zien en de bedoeling is dat zij aan de slag gaat met Arosa. Het is belangrijk dat, gelet op de veiligheid van de moeder en de kinderen, dat aan de gemaakte afspraken wordt gehouden. Daarnaast wordt gezien dat de moeder een aantal afspraken met Arosa heeft afgezegd.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1]
5.2.
Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. De ontwikkeling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wordt ernstig bedreigd. De kinderen zijn groeien op in een instabiele situatie en zij zijn in de thuissituatie bij de ouders meermaals getuige geweest van huiselijk geweld van de vader richting de moeder. Na een periode uit huis te zijn geplaatst, wonen de kinderen sinds 30 maart 2026 weer bij de moeder. Positief is dat het goed gaat met de kinderen bij de moeder en dat zij hun draai hebben gevonden op school en/of de kinderopvang. De moeder zet ook positieve stappen. Het lukt de moedert om in de behoeftes van de kinderen te voorzien, om haar aandacht te verdelen over de kinderen en zij beschikt over goede opvoedvaardigheden. De kinderrechter complimenteert de moeder daarvoor.
5.3.
Dit neemt niet weg dat er nog steeds grote zorgen bestaan over de ontwikkeling en de veiligheid van de kinderen. De vader kampt met persoonlijke problemen, waaronder middelengebruik, emotieregulatie en trauma’s, en uit de stukken en het besprokene ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat de moeder en de vader een turbulente en gewelddadige relatie hebben (gehad) en de veiligheid van de kinderen onvoldoende gewaarborgd is geweest, wat een grote impact heeft op de ontwikkeling van de kinderen. Eerdere hulpverleningstrajecten zijn niet voldoende van de grond gekomen en/of vroegtijdig beëindigd. Een grote zorg is ook dat de moeder de zorgen over (de impact van) het huiselijk geweld lijkt te bagatelliseren en/of te ontkennen. Ook uit de moeder zich wisselend over het al dan niet herstellen van de relatie met de vader. Er zijn door de hulpverlening zorgen geuit over het controlerende gedrag van de vader en niet duidelijk is of moeder voldoende weerbaar is ten opzichte van de vader.
5.4.
Alhoewel het positief is dat beide ouders meewerken aan de hulpverlening, waaronder Arosa en Fivoor, is ter zitting gebleken dat de afgelopen periode meerdere afspraken met Arosa door de moeder afgezegd. De kinderrechter is er mede hierom onvoldoende van overtuigd dat de zorgen over de kinderen kunnen worden weggenomen met de inzet van de hulpverlening vanuit het vrijwillig kader. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft. De gecertificeerde instelling dient zicht te houden op de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen, regie te voeren over de (benodigde) hulpverlening en erop toe te zien dat de gemaakte (veiligheids)afspraken worden nagekomen. Ook is het van belang dat wordt onderzocht of en hoe het contact tussen de vader en de kinderen kan worden hersteld. Gelet op de grote zorgen en de stappen die de komende tijd moeten worden genomen, acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend en geboden.
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 23 april 2026 tot 23 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 6 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.