ECLI:NL:RBDHA:2026:1340

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
11797582 RP VERZ 25-50522
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:121 BWArt. 6b Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende machtiging voor stalling hulpmiddelen in gemeenschappelijke ruimte VvE

De zaak betreft een verzoek van een lid van een Vereniging van Eigenaars (VvE) om een vervangende machtiging te verkrijgen voor het stallen van een scootmobiel en driewielfiets in de gemeenschappelijke containerruimte of fietsenberging, vanwege zijn progressieve neuromusculaire aandoening.

De VvE had het verzoek afgewezen omdat de containerruimte en fietsenberging niet geschikt zouden zijn en er betere alternatieven zijn, met name de eigen parkeerplaats in de garage. De kantonrechter toetste dit aan artikel 6b van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH), dat bepaalt dat toestemming niet mag worden geweigerd zonder redelijke grond als er geen geschikte alternatieven zijn.

De ergotherapeut had geadviseerd over de vereisten voor een geschikte stallingslocatie, waarbij de eigen parkeerplaats als meest geschikt werd beoordeeld. De kantonrechter concludeerde dat de eigen parkeerplaats voldoet aan de criteria en dat het verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat dit geen redelijk alternatief is.

Daarom werd het verzoek afgewezen en werd verzoeker veroordeeld in de proceskosten. De beschikking is gegeven door de kantonrechter van Eijk en op 5 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek tot vervangende machtiging voor het stallen van hulpmiddelen in de containerruimte is afgewezen omdat de eigen parkeerplaats een redelijk alternatief is.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer / rekestnummer: 11797582 \ RP VERZ 25-50522
Beschikking van 5 februari 2026
in de zaak van
[verzoekende partij],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde: mr. R.D. van der Woude,
tegen
[VvE] TE [plaats],
gevestigd te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: VvE,
gemachtigde: mr. M.A. van der Lubbe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift 16 juli 2025 met producties,
- het verweerschrift 29 december 2025 met producties,
- de akte overlegging nadere producties van de zijde van de VvE,
- een usb-stick met videobeelden van de zijde van [verzoekende partij] ,
- de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en namens [verzoekende partij] spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Bij notariële akte van 10 januari 2002 is het gebouw aan de [straatnaam] te [plaats] gesplitst in 137 appartementsrechten. In de splitsingsakte is het reglement van splitsing opgenomen dat is gebaseerd op het modelreglement van de KNB van 2 januari 1992.
2.2.
[verzoekende partij] is sinds 2008 eigenaar van het appartementsrecht aan het adres [adres] te [plaats] en van rechtswege lid van de VvE. Elk appartementsrecht heeft de beschikking over een eigen parkeerplaats in de overdekte en afgesloten parkeergarage.
2.3.
In de splitsingsakte is – voor zover relevant – opgenomen dat de fietsenberging en de ruimte voor de vuilcontainers behoren tot de gemeenschappelijke gedeelten van de VvE (artikel 9). Verder is bepaald dat iedere eigenaar het recht van medegebruik heeft van de gemeenschappelijke gedeelten (artikel 11) en dat het niet is toegestaan voertuigen te plaatsen op of in de gemeenschappelijke gedeelten die daarvoor niet zijn bestemd behoudens na toestemming van de VvE (artikel 12).
2.4.
[verzoekende partij] is in 1993 gediagnosticeerd met een progressieve neuromusculaire aandoening. De ziekte gaat gepaard met afname van spiermassa, energie en coördinatievermogen. [verzoekende partij] is in de loop der jaren in toenemende mate afhankelijk geworden van hulpmiddelen zoals een scootmobiel, rollator, driewielfiets en een elektrische rolstoel.
2.5.
In 2011 heeft [verzoekende partij] van de VvE toestemming gekregen om zijn scootmobiel in de gemeenschappelijke containerruimte te plaatsen, omdat hij de parkeerplaats gebruikt voor zijn auto.
2.6.
In de Buitengewone Ledenvergadering van 25 oktober 2012 is binnen de VvE besloten dat het Huishoudelijk reglement wordt uitgebreid met regels (artikel 18) omtrent het stallen van hulpmiddelen zoals een scootmobiel. Uitgangspunt is het plaatsen van het hulpmiddel op de eigen parkeerplaats. De VvE kan binnen het gebouw gemeenschappelijke ruimtes beschikbaar stellen en per gebouw kunnen bewoners onderling afspraken maken over de toedeling van de beschikbare plaatsen. Wanneer er geen overeenstemming bereikt wordt zal toewijzing geschieden op basis van een aantal criteria (Wmo-indicatie en een hulpmiddel per bewoner). Een gegeven toestemming kan door de VvE worden herroepen als er hinder optreedt, de gemeenschappelijke ruimte nodig is voor gemeenschappelijke voorzieningen of als het hulpmiddel niet of nauwelijks wordt gebruik.
2.7.
De VvE heeft op 17 oktober 2023 [verzoekende partij] verzocht om de twee hulpmiddelen (scootmobiel en driewielfiets) op de eigen parkeerplaats in de garage te plaatsen, omdat [verzoekende partij] niet meer in het bezit is van een auto.
2.8.
In de Ergotherapie Rapportage van 19 januari 2025 heeft de ergotherapeut onder meer geadviseerd dat de scootmobiel en de driewielfiets makkelijk met de rollator te bereiken moet zijn, het liefst op een zo kort mogelijke afstand van de woning. Daarnaast moet de rollator naast de scootmobiel of de driewielfiets geplaatst kunnen worden om een veilige transfer mogelijk te maken, waarbij ruimte is om de rollator te draaien. De locatie moet een zo vlak mogelijke ondergrond hebben, de toegangsdeuren makkelijk of automatisch te openen zijn en er moet een oplaadpunt aanwezig zijn.
2.9.
Op 24 maart 2025 heeft [verzoekende partij] een schriftelijk verzoek ingediend bij de beheerder van de VvE voor het plaatsen van een verzoek op de algemene ledenvergadering (ALV) van de VvE op 15 april 2025. Het verzoek was om [verzoekende partij] toestemming te geven voor het stallen van beide hulpmiddelen (scootmobiel en driewielfiets) in de containerruimte, dan wel de scootmobiel in de containerruimte en de driewielfiets in fietsenberging.
2.10.
Tijdens de ALV van 15 april 2025 is het verzoek (beide opties) van [verzoekende partij] afgewezen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekende partij] verzoekt – kort gezegd na correctie – om vervangende machtiging (artikel 5:121 BW Pro) te verlenen voor het plaatsen van de scootmobiel en de driewielfiets in de containerruimte, (subsidiair de fiets in de fietsenberging) waarbij de kasten in die ruimte verplaatst moeten worden zodat er voldoende ruimte is om de transfer van de rollator naar de hulpmiddelen te maken, op de vloer markering wordt aangebracht voor het plaatsen van de hulpmiddelen, een extra wandcontactdoos wordt geplaatst en de toegangsdeur naar de containerruimte elektrisch bedienbaar wordt gemaakt.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekende partij] ten grondslag gelegd dat het weigeren van een van de twee verzochte opties, die door de ergotherapeut als geschikt zijn bevonden, zonder redelijke grond is gebeurd. De vrijheid van de VvE bij het nemen van een besluit wordt begrensd door de regeling van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH). Artikel 6b van de WGBH brengt mee dat de VvE de toestemming niet mag weigeren als er geen alternatieve stallingsmogelijkheden zijn. De alternatieven moeten objectief bezien redelijkerwijs geschikt zijn. Er zijn in dit geval geen geschikte alternatieven voor het plaatsen van de hulpmiddelen.
3.3.
De VvE verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. De containerruimte en fietsenberging zijn niet geschikt voor het stallen van (meerdere) hulpmiddelen. Bovendien zijn er betere alternatieve plaatsen voor de stalling beschikbaar. De containerruimte is (niet langer) geschikt omdat [verzoekende partij] meer ruimte nodig heeft om te kunnen manoeuvreren en die ruimte is er niet. Er staan meerdere containers en andere bewoners, die ook al op leeftijd zijn, kunnen dan hun afval niet meer zelfstandig deponeren. De fietsenberging is evenmin geschikt nu die te krap is voor de driewielfiets. Voorts is het exclusief in gebruik geven van een gemeenschappelijk gedeelte in strijd met de splitsingsakte. Een toestemmingsbesluit van de VvE tot dat gebruik zou dan ook nietig zijn. Bij toewijzing van het verzoek wordt gevraagd om de kosten die daaruit voortkomen ten laste van [verzoekende partij] te laten komen.

4.De beoordeling

4.1.
Niet in geschil is dat [verzoekende partij] , gelet op zijn progressieve ziekte, aangewezen is op de hulpmiddelen die nu onderwerp van het geschil zijn. De VvE heeft als weigeringsgrond aangevoerd dat er geschiktere alternatieven zijn om die hulpmiddelen te stallen en dan met name de eigen parkeerplaats in de garage.
4.2.
Vooropgesteld wordt dat de vrijheid die de VvE toekomt bij beslissingen omtrent het mogen plaatsen van een scootmobiel in de gemeenschappelijke gedeelte, wordt begrensd door artikel 6b onder d van de WGBH. Die regeling brengt in de onderhavige zaak mee dat de VvE de toestemming niet mag weigeren indien [verzoekende partij] geen alternatieve stallingsmogelijkheden heeft voor zijn scootmobiel en de driewielfiets die hij nodig heeft om zich buitenshuis te verplaatsen. De alternatieven dienen - objectief bezien - redelijkerwijs geschikt te zijn. In beginsel speelt geen rol of [verzoekende partij] ze zelf geschikt vindt, dan wel het eigen alternatief wenselijker acht. Daarnaast acht de kantonrechter van belang dat de VvE met het huishoudelijk reglement als uitgangspunt heeft genomen dat hulpmiddelen in de eerste plaats gestald moeten worden op de eigen parkeerplaats. Pas als dat niet mogelijk is komen andere locaties in beeld. In dat licht moet de alternatieve stallingslocatie van de VvE dan ook worden bezien.
4.3.
Verder dient de aanvaardbaarheid van mogelijke alternatieven te worden beoordeeld vanuit het perspectief van de gehandicapte of chronisch zieke om wie het gaat. Beoordeeld moet worden of de alternatieven, gelet op de aard van de handicap of ziekte en de daaruit voortvloeiende beperkingen, zowel de huidige als de toekomstige zoals die bij een progressieve aandoening zijn te verwachten, voor [verzoekende partij] fysiek haalbaar zijn. Hoewel [verzoekende partij] als geen ander zijn beperkingen kent, brengt voornoemde maatstaf wel mee dat zijn opvattingen niet zonder meer hoeven worden overgenomen, maar dienen te worden getoetst. Een dergelijke beoordeling kan alleen worden gemaakt met voldoende kennis van en ervaring met het desbetreffende ziektebeeld en de daarbij horende beperkingen. Alleen met die kennis kan een verantwoord oordeel worden gegeven over de bezwaren die [verzoekende partij] tegen de alternatieven heeft geuit.
4.4.
De kantonrechter hecht dan ook veel waarde aan de overgelegde uitgangspunten en bevindingen van de ergotherapeut. De ergotherapeut heeft – kort gezegd – voor de meest geschikte locatie de volgende uitgangspunten geformuleerd:
  • met de rollator te bereiken op zo kort mogelijke afstand van de woning;
  • er is voldoende ruimte om vanaf de rollator de transfer van en naar de scootmobiel / driewielfiets te maken;
  • de ondergrond moet zo vlak mogelijk zijn;
  • de toegangsdeur(en) moet makkelijk dan wel elektronisch te openen zijn;
  • er moet een oplaadpunt aanwezig zijn.
4.5.
Hoewel de ergotherapeut meerdere opties heeft bekeken, valt op dat de eigen parkeerplaats van [verzoekende partij] daarin niet als optie is meegenomen. Dit terwijl [verzoekende partij] ten tijde van het onderzoek bekend was met de wens van de VvE dat hij zijn eigen parkeerplaats moest gaan gebruiken. Uit de rapportage maakt de kantonrechter op dat van de opties die de ergotherapeut heeft onderzocht eigenlijk geen één echt geschikt was. De containerruimte is als de meest geschikte locatie genoemd, maar heeft als nadeel dat er een schuine helling is en de deur lastig te openen is. Die schuine helling komt niet overeen met de vlakke ondergrond die noodzakelijk wordt geacht omdat [verzoekende partij] instabiel staat. Dat de ergotherapeut de parkeerplaats niet geschikt acht, zoals gesteld bij brief van 17 september 2024, is niet gebleken. Dat blijkt niet uit die brief en evenmin uit het later opgestelde rapport. Kijkend naar de uitgangspunten die de ergotherapeut heeft geformuleerd komt de eigen parkeerplaats naar het oordeel van de kantonrechter als het meest geschikte naar voren. Mocht de afstand van de toegangsdeur tot aan de parkeerplaats te groot zijn, dan heeft een medebewoner zich bereid verklaard om zijn parkplaats nr. 33 te ruilen met die van [verzoekende partij] . Parkeerplaats nr. 33 is schuin tegenover de ingang van de parkeergarage vanuit de hal met de lift. Daarmee wordt voldaan aan de zo kort mogelijke afstand vanaf de woning. Niet weersproken is dat de parkeerplaats voldoende ruimte biedt om de gewenste transfer van en naar de rollator te kunnen maken. De ondergrond van de garage is vlak en volledig waterpas. Wat betreft de gladheid bij regenval is al aangeboden om op de vloer een antislip laag aan te brengen. De toegangsdeur naar de garage is geautomatiseerd en het aanbrengen van een oplaadpunt zal geen obstakel hoeven vormen, omdat dat ook bij de containerruimte zou moeten plaatsvinden.
4.6.
[verzoekende partij] heeft aangevoerd dat hij bang is voor vernielingen en of diefstal van de op zijn parkeerplaats achtergelaten hulpmiddelen. Hoewel die angst enigszins voorstelbaar is, acht de kantonrechter die niet van doorslaggevend belang. De VvE heeft onweersproken gesteld dat de garage is afgesloten van het openbare gebied en dat in al die jaren er slechts één incident heeft plaatsgevonden. Bovendien zijn er mogelijkheden om diefstal te voorkomen dan wel te bemoeilijken. Tot slot concludeert de kantonrechter dat uit de overgelegde videobeelden onvoldoende blijkt dat de toegang tot de garage vanuit de hal met de elektrische rolstoel tot gevaarlijke situaties leidt.
4.7.
Dat in 2011 wel toestemming is verleend aan [verzoekende partij] om zijn scootmobiel in de containerruimte te plaatsen was mede omdat [verzoekende partij] de parkeerplaats op dat moment nog gebruikte voor zijn auto. Vanaf 2023 beschikt hij niet meer over een auto en staat de parkeerplaats leeg. Daar komt bij dat in 2011 het alleen om de scootmobiel ging en niet ook om de driewielfiets. Verder had hij toen nog niet de extra ruimte nodig om de transfer te kunnen maken van de rollator naar de scootmobiel / driewielfiets en andersom. Tijdens de mondelinge behandeling, maar ook uit de overgelegde brieven van de VvE aan [verzoekende partij] , blijkt dat vooralsnog geen bezwaar wordt gemaakt van de stalling van de scootmobiel in de containerruimte, maar dat het bezwaar vooral is gelegen in beide hulpmiddelen.
4.8.
Al het voorgaande in onderling verband beschouwd is de kantonrechter van oordeel dat [verzoekende partij] onvoldoende heeft aangetoond dat de eigen parkeerplaats geen redelijk alternatief is. Dit leidt er daarom toe dat niet is gebleken dat de VvE zonder redelijke grond het verzoek heeft geweigerd. De gevraagde machtiging zal daarom worden afgewezen.
4.9.
[verzoekende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VvE worden begroot op:
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
677,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de gevraagde vervangende machtiging af,
5.2.
veroordeelt [verzoekende partij] in de proceskosten van € 677,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekende partij] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.