De zaak betreft een verzoek van een lid van een Vereniging van Eigenaars (VvE) om een vervangende machtiging te verkrijgen voor het stallen van een scootmobiel en driewielfiets in de gemeenschappelijke containerruimte of fietsenberging, vanwege zijn progressieve neuromusculaire aandoening.
De VvE had het verzoek afgewezen omdat de containerruimte en fietsenberging niet geschikt zouden zijn en er betere alternatieven zijn, met name de eigen parkeerplaats in de garage. De kantonrechter toetste dit aan artikel 6b van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH), dat bepaalt dat toestemming niet mag worden geweigerd zonder redelijke grond als er geen geschikte alternatieven zijn.
De ergotherapeut had geadviseerd over de vereisten voor een geschikte stallingslocatie, waarbij de eigen parkeerplaats als meest geschikt werd beoordeeld. De kantonrechter concludeerde dat de eigen parkeerplaats voldoet aan de criteria en dat het verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat dit geen redelijk alternatief is.
Daarom werd het verzoek afgewezen en werd verzoeker veroordeeld in de proceskosten. De beschikking is gegeven door de kantonrechter van Eijk en op 5 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.