Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13424

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
C/09/691332 / HA RK 25-487
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidArt. 29 Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker met Palestijnse achtergrond

Verzoeker, geboren in 1988 in een land, heeft een verblijfsvergunning asiel en diverse documenten die zijn Palestijnse afkomst bevestigen. Hij verzoekt de rechtbank om zijn staatloosheid vast te stellen. De Staat der Nederlanden adviseert het verzoek toe te wijzen.

De rechtbank beoordeelt de nationaliteitsstatus van verzoeker ten aanzien van de Palestijnse Gebieden, Syrië en Turkije. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen als staatloos worden beschouwd. De Syrische nationaliteitswetgeving biedt verzoeker geen nationaliteit, omdat hij niet voldoet aan de afstammingscriteria. Ook de Turkse nationaliteit is niet van toepassing, omdat verzoeker slechts kort in Turkije verbleef en niet aan naturalisatievoorwaarden voldoet.

Op basis van deze feiten stelt de rechtbank vast dat verzoeker staatloos is. Het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgewezen vanwege de aard van de zaak. De beschikking is uitgesproken op 24 april 2026 door rechter A.M. van der Vliet.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoeker staatloos is en wijst het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-487
Zaaknummer: C/09/691332
Datum beschikking: 24 april 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 3 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Brouwer te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. K.A. van Iwaarden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van de Staat van 16 oktober 2025;
- de brief van de Staat van 11 december 2025;
- de brief van de zijde van verzoeker van 9 maart 2026.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , [land] .
- Verzoeker heeft een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet.
- Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten welke zijn gecontroleerd door Bureau Documenten van de IND en echt zijn bevonden:
- Palestijns paspoort uitgegeven door de Palestijnse autoriteit;
- uittreksel bevolkingsregister;
- uittreksel geboorteregister;
- uittreksel inschrijvingsregister;
- huwelijksakte;
- Family Registration Card van de UNRWA.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden, Syrië en Turkije in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Dit omdat verzoeker stelt van Palestijnse afkomst te zijn, dat hij in [land] is geboren en via Turkije naar Nederland is gekomen.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Wordt verzoeker als onderdaan van [land] beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van [land] (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht [land] ’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in [land] en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder kan hebben verkregen.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in [land] in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van [land] .
Wordt verzoeker als onderdaan van Turkije beschouwd?
De regels ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de Turkse nationaliteit zijn vastgelegd in de Wet op het Turkse staatsburgerschap (hierna: Stbw).
De Turkse nationaliteit wordt van rechtswege verkregen door afstamming of geboorte op Turks grondgebied. Voor de verkrijging van de Turkse nationaliteit via afstamming geldt dat afstamming van ten minste één Turkse ouder is vastgesteld. De verkrijgingsgrond door geboorte op Turks grondgebied heeft alleen betrekking op in Turkije geboren kinderen die bij geboorte – behoudens de Turkse nationaliteit – staatloos zouden zijn (art. 8 lid 1 Stbw Pro).
De Turkse nationaliteit kan worden verleend indien men voldoet aan bepaalde wettelijke eisen (art. 11 e.v. Stbw). Eén van de voorwaarde is dat een persoon minimaal vijf jaar inwoner is geweest van Turkije. Verzoeker voldoet hier niet aan, hij verbleef van augustus 2018 tot september 2018 in Turkije.
Ook van deze situaties is niet gebleken zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Turkse nationaliteit heeft.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.
Uitvoerbaar bij voorraad
De aard van de zaak verzet zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoeker staatloos is;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, bijgestaan door
mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2026.