Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13426

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699048 / FA RK 26-1162
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en toewijzing minderjarige aan moeder na overeenstemming ouders

Partijen, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, zijn ouders van een minderjarig kind geboren in 2017. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit en het kind verbleef feitelijk bij de moeder in de echtelijke woning.

De vader verzocht om een zorgregeling waarbij het kind elke vrijdagavond tot zondagmiddag bij hem zou verblijven, inclusief vakanties en feestdagen. De moeder verzocht om toewijzing van het kind aan haar. Tijdens de procedure bereikten partijen overeenstemming over een voorlopige zorgregeling.

De rechtbank nam kennis van de stukken en bevestigde dat de ouders het eens waren geworden over een regeling waarbij de vader het kind eenmaal per twee weken in het weekend mag ophalen op zaterdag tussen 08.00 en 09.00 uur en terugbrengen op zondag vóór 17.00 uur. De rechtbank achtte deze regeling niet in strijd met het belang van het kind en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

De minderjarige werd voorlopig aan de moeder toevertrouwd, met de genoemde omgangsregeling voor de vader. De rechtbank stelde vast dat het oorspronkelijke verzoek voor een uitgebreidere regeling was ingetrokken.

Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig aan de moeder toevertrouwd met een omgangsregeling voor de vader eenmaal per twee weken in het weekend.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1162
Zaaknummer: C/09/699048
Datum beschikking: 24 april 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 5 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de man]

,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Plaisier te Hendrik-Ido-Ambacht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw]

,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G. Groen te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens verzoekschrift;
- het bericht van 7 april 2026, met bijlage, namens de vrouw;
- de brief van 13 april 2026 namens de man;
-het bericht van 13 april 2026 namens de vrouw.
De mondelinge behandeling van de zaak was gepland op de zitting van deze rechtbank van 15 april 2026. Voorafgaand aan deze behandeling hebben beide advocaten de rechtbank bericht dat zij namens hun cliënten overeenstemming hebben bereikt en dat de behandeling daarom niet door hoeft te gaan.

Feiten

- Partijen zijn onder huwelijkse voorwaarden met elkaar op [datum] 2015 te [plaats]
( [land] ) gehuwd.
- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] .
- [minderjarige] verblijft feitelijk bij de moeder in de echtelijke woning.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- De man en de vrouw hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
- De man heeft uit eerdere huwelijken nog drie kinderen: [kind 1] ( [geboortedatum 2] 1997), [kind 2]
( [geboortedatum 3] 1998) en [kind 3] ( [geboortedatum 4] 1999).

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man zoals dat aanvankelijk luidde, strekte ertoe dat:
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) ten aanzien van het minderjarige kind van partijen wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige] elke vrijdag van 18.00 - 19.00 uur tot zondag 12.00 uur bij de man verblijft, alsook de helft met de vakanties en (Islamitische) feestdagen;
- dan wel een zodanige voorlopige zorgregeling als de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en zelfstandig verzocht om [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De advocaat van de man heeft bij brief van 13 april 2026 de rechtbank bericht dat de ouders overeenstemming hebben bereikt en verzoekt deze overeenstemming op te nemen in een beschikking.
De advocaat van de vrouw heeft bij bericht van 13 april 2026 de bereikte overeenstemming bevestigd en verzoekt eveneens deze overeenstemming op te nemen in een beschikking.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt in deze voorlopige voorzieningenprocedure rechtsmacht toe. De rechtbank past in dit geval Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
De ouders zijn in de loop van de procedure tot overeenstemming gekomen en verzoeken nu beiden om deze overeenstemming op te nemen in een beschikking.
De ouders zijn het volgende overeengekomen:
  • [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
  • een voorlopige zorgregeling, inhoudende dat de man [minderjarige] eenmaal per twee
weken op zaterdag tussen 08.00 uur en 09.00 uur zal ophalen en haar op zondag
vóór 17.00 uur weer zal terugbrengen.
De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, omdat niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet en het nader verzochte niet onrechtmatig en niet ongegrond is. Hetgeen oorspronkelijk meer of anders is verzocht, beschouwt de rechtbank als ingetrokken.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ,
voorlopigaan de vrouw zal worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat de man
voorlopiggerechtigd is om de minderjarige [minderjarige] bij zich te hebben eenmaal per twee weken van zaterdag tot zondag, waarbij de man [minderjarige] op zaterdag tussen 08.00 uur en 09.00 uur zal ophalen en haar op zondag vóór 17.00 uur weer zal terugbrengen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 april 2026.