De rechtbank Den Haag heeft op 24 april 2026 een beschikking gegeven inzake het verzoek tot vaststelling van staatloosheid van een verzoekster geboren in 1985 met Palestijnse achtergrond. De verzoekster bezit diverse documenten, waaronder een Palestijns paspoort en verblijfskaarten, die door de Immigratie- en Naturalisatiedienst als authentiek zijn beoordeeld.
De rechtbank baseert haar oordeel op de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (2023) en stelt vast dat verzoekster in Nederland woont en onmiddellijk belang heeft bij het verzoek. De beoordeling richt zich op de vraag of verzoekster als onderdaan wordt beschouwd door de Palestijnse Gebieden, Syrië of Turkije. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen als staatloos worden beschouwd. De Syrische nationaliteit is niet aannemelijk vanwege de nationaliteitswetgeving en de situatie van Palestijnen in Syrië. Ook de Turkse nationaliteit is niet aannemelijk omdat vluchtelingen onder tijdelijke bescherming geen staatsburgerschap kunnen verkrijgen.
Op basis van deze feiten stelt de rechtbank vast dat verzoekster staatloos is. De beschikking is zonder mondelinge behandeling gegeven, met instemming van partijen, en uitgesproken door rechter A.M. van der Vliet.