Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13429

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
C/09/698095 / HA RK 26-51
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidArt. 29 VreemdelingenwetArt. 8 lid 1 Wet op het Turkse staatsburgerschapArt. 11 e.v. Wet op het Turkse staatsburgerschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoekster met Palestijnse achtergrond

De rechtbank Den Haag heeft op 24 april 2026 een beschikking gegeven inzake het verzoek tot vaststelling van staatloosheid van een verzoekster geboren in 1985 met Palestijnse achtergrond. De verzoekster bezit diverse documenten, waaronder een Palestijns paspoort en verblijfskaarten, die door de Immigratie- en Naturalisatiedienst als authentiek zijn beoordeeld.

De rechtbank baseert haar oordeel op de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (2023) en stelt vast dat verzoekster in Nederland woont en onmiddellijk belang heeft bij het verzoek. De beoordeling richt zich op de vraag of verzoekster als onderdaan wordt beschouwd door de Palestijnse Gebieden, Syrië of Turkije. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen als staatloos worden beschouwd. De Syrische nationaliteit is niet aannemelijk vanwege de nationaliteitswetgeving en de situatie van Palestijnen in Syrië. Ook de Turkse nationaliteit is niet aannemelijk omdat vluchtelingen onder tijdelijke bescherming geen staatsburgerschap kunnen verkrijgen.

Op basis van deze feiten stelt de rechtbank vast dat verzoekster staatloos is. De beschikking is zonder mondelinge behandeling gegeven, met instemming van partijen, en uitgesproken door rechter A.M. van der Vliet.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoekster staatloos is.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 26-51
Zaaknummer: C/09/698095
Datum beschikking: 24 april 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 19 januari 2026 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster]

,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Brouwer te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. K.A. van Iwaarden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het advies van de Staat van 11 december 2025 en het daarbij behorende
e-mailbericht van de Staat van 6 februari 2026;
- de brief van verzoeker van 9 maart 2026.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoekster.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , [land] .
- Verzoekster heeft een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet.
- Verzoekster is in het bezit van de volgende originele documenten welke zijn gecontroleerd door Bureau Documenten van de IND en echt zijn bevonden:
- Palestijns paspoort uitgegeven door de Palestijnse autoriteit;
- tijdelijke verblijfskaart voor Palestijnen;
- uittreksel bevolkingsregister;
- uittreksel geboorteregister;
- uittreksel inschrijvingsregister;
- huwelijksakte;
- Family Registration Card UNRWA.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden, Syrië en Turkije in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoekster te betrekken. Dit omdat verzoekster stelt van Palestijnse afkomst te zijn, in [land] is geboren en via Turkije naar Nederland is gekomen.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoekster overgelegde documenten – welke documenten positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – is het aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Wordt verzoekster als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder kan hebben verkregen.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoekster beschikt over de nationaliteit van Syrië.
Wordt verzoekster als onderdaan van Turkije beschouwd?
De regels ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de Turkse nationaliteit zijn vastgelegd in de Wet op het Turkse staatsburgerschap (hierna: Stbw).
De Turkse nationaliteit wordt van rechtswege verkregen door afstamming of geboorte op Turks grondgebied. Voor de verkrijging van de Turkse nationaliteit via afstamming geldt dat afstamming van ten minste één Turkse ouder is vastgesteld. De verkrijgingsgrond door geboorte op Turks grondgebied heeft alleen betrekking op in Turkije geboren kinderen die bij geboorte – behoudens de Turkse nationaliteit – staatloos zouden zijn (art. 8 lid 1 Stbw Pro).
De Turkse nationaliteit kan worden verleend indien men voldoet aan bepaalde wettelijke eisen (art. 11 e.v. Stbw). Eén van de voorwaarde is dat een persoon minimaal vijf jaar inwoner is geweest van Turkije. Verzoekster verbleef weliswaar van augustus 2018 tot en met november of december 2023 in Turkije, maar uit algemeen bekende informatie volgt dat vluchtelingen uit Syrië onder ‘temporary protection’ vallen en geen staatsburgerschap kunnen aanvragen.
Ook van deze situaties is niet gebleken zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster de Turkse nationaliteit heeft.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoekster vast.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, bijgestaan door
mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2026.