ECLI:NL:RBDHA:2026:13443

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
C/09/702304 / JE RK 26-519
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en wijziging zorgregeling voor twee minderjarige kinderen

De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen en een wijziging van de zorgregeling. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt verlenging vanwege voortdurende ernstige ontwikkelingsbedreiging door spanningen en conflicten tussen de ouders. De moeder stemt in met verlenging en vraagt wijziging van de zorgregeling, terwijl de vader primair afwijzing van verlenging verzoekt en subsidiair een kortere termijn.

Tijdens de zitting met gesloten deuren zijn de kinderen gehoord en is vastgesteld dat de hulpverlening onvoldoende van de grond is gekomen door lange wachtlijsten en beperkte medewerking van ouders. De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de ontwikkeling van de kinderen te beschermen en verlengt deze voor een jaar. Tevens wijzigt de rechter de zorgregeling conform het verzoek van de moeder, waarbij de kinderen om de week in het weekend bij haar verblijven en de GI de regie houdt.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak. De kinderrechter benadrukt het belang van actieve medewerking van ouders en voortzetting van hulpverleningstrajecten om de situatie te verbeteren.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd voor een jaar en de zorgregeling gewijzigd met regie bij de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/702304 / JE RK 26-519
Datum uitspraak: 24 april 2026
Beschikking van de kinderrechter:
Verlenging ondertoezichtstelling
Wijziging zorgregeling (ex artikel 1:265g BW)
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,
advocaat: mr. M. de Bluts gevestigd te Zoetermeer.
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.G. Jagesar gevestigd te Den Haag.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 27 maart 2026;
  • het verweerschrift van de moeder tevens houdende een zelfstandig verzoek wijzigen zorgregeling, ontvangen op 24 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de jeugdbeschermer [naam] , namens de GI;
- de vader, met zijn advocaat, daarbij ondersteund door een tolk in de Turkse taal.
- de moeder, met haar advocaat.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De vader en moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 30 april 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 oktober 2025 (procedure bekend onder zaaksnummer C/09/691684 / JE RK 25-1607) – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 21 maart 2024 in zoverre de volgende zorgregeling vastgesteld:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven:
- van donderdag uit school in de ene week tot woensdag naar school in de
andere week bij de moeder;
- van woensdag uit school in de andere week tot donderdag naar school in
de ene week bij de vader;
- als er geen school is op de wisseldag vindt de wissel plaats om 12:00 uur,
waarbij de ouder bij wie [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dat moment zijn hen naar de
andere ouder brengt;
- met betrekking tot vakantie- en feestdagen en andere afwijkingen van de
zorgregeling ligt de regie bij de gecertificeerde instelling (uitvoerbaar bij
voorraad).

3.Verzoek en standpunt GI

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI vindt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De spanningen en conflicten tussen ouders zijn niet wezenlijk afgenomen. De ouders slagen er onvoldoende in om hun conflicten buiten het zicht van de kinderen te houden en bieden nog niet de rust, voorspelbaarheid en emotionele veiligheid die zij nodig hebben voor een gezonde sociaal-emotionele ontwikkeling. De GI ziet dat de kinderen klem zitten tussen beide opvoedingssituaties. In de afgelopen maanden zijn er flinke zorgen ontstaan over de draagkracht en veiligheid in de thuissituatie van moeder. De kinderen lijken haar te overstijgen. De moeder kan hen niet begrenzen, raakt getriggerd en komt met de kinderen terecht in verbale en fysieke escalaties. Medio maart 2026 heeft de GI daarom de zorgregeling in samenspraak met ouders gewijzigd in full-time verblijf bij vader voor onbepaalde tijd en de omgang met moeder teruggebracht naar eens per twee weken in het weekend logeren bij de moeder.
3.3.
De GI vindt de vrijwillige hulpverlening niet toereikend. Door de lange wachtlijst komt de noodzakelijke hulpverlening langzaam van de grond. De beperkte medewerking van ouders is een risicofactor voor het stagneren van hulpverlening. Het traject Parallel Solo Ouderschap en diverse hulpverleningstrajecten (een maatje/coach via [hulpverlener 1] voor [minderjarige 1] , gezinsondersteuning van [hulpverlener 2] bij de vader, psycho-educatie voor de kinderen over de NAH van moeder van [hulpverlener 3] ) moeten nog op gang worden gebracht.
3.4.
De GI ziet geen noodzaak voor het vastleggen van de zorgregeling zoals die nu in onderling overleg is afgesproken en bepaald, maar zal zich daar niet tegen verzetten.

4.Verzoek en standpunt moeder

4.1.
De moeder is het eens met een verlenging van de maatregel voor de gevraagde periode van een jaar. Het gaat niet goed tussen de kinderen en de moeder en het gaat evenmin goed tussen de ouders onderling. De moeder denkt dat de vader en zij er samen niet in zullen slagen om zonder conflict zelfstandig de regie te voeren op de hulpverlening.
4.2.
De moeder verzoekt de kinderrechter om de bij beschikking d.d. 29 oktober 2025 vastgestelde zorgregeling te wijzigen en een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen om de week bij moeder zijn van zaterdag 11:00 uur tot zondag 16:00 uur en de GI de regie bepaalt. De GI en de ouders hebben hier voor nu overeenstemming over bereikt. Maar de moeder durft er niet van uit te gaan dat zij het duurzaam met elkaar eens blijven. Het risico op het herleven van onenigheid en het kunnen ontstaan van conflicten over de zorgregeling maakt dat de moeder de zorgregeling graag door de kinderrechter vastgelegd ziet.

5.Standpunt vader

5.1.
De vader stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling moet worden afgewezen omdat er in de opvoedsituatie van de vader geen ernstige ontwikkelingsbedreiging is voor de kinderen. De vader biedt de kinderen in de basis liefdevolle aandacht en basale zorg. De spanningen in relatie met zijn ex-partner zijn inherent aan de echtscheidingssituatie; hierin is in zichzelf geen ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen gelegen. De vader vraagt de kinderrechter subsidiair om de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot maximaal zes maanden, met afwijzing dan wel aanhouding van het overige, om voortvarend handelen door de GI te bevorderen. Zoals het nu gaat biedt de maatregel weinig zicht op echte structurele verbetering. De vader ziet het belang van de door de GI geïndiceerde hulpverleningstrajecten. Maar als deze trajecten door de lange wachtlijst voor hulpverlening niet of pas na lange tijd worden ingezet, is de ondertoezichtstelling weinig meer dan een leeg omhulsel, terwijl de drang en dwang die van de maatregel uitgaat het gezin nodeloos uitput en belast. Deze trajecten kunnen wat de vader betreft ook in het vrijwillig kader worden ingezet en gecontinueerd. De vader voert geen verweer tegen het verzoek van de moeder om de gewijzigde zorgregeling vast te stellen

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd omdat zij opgroeien in een situatie met voortdurende spanningen en conflicten tussen de ouders. Het is de ouders in de afgelopen periode niet gelukt om verandering te brengen in hun onderlinge strijd en destructieve dynamiek. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien nog steeds op in een situatie waarin het hen ontbreekt aan de noodzakelijke rust, voorspelbaarheid en emotionele veiligheid. In het afgelopen jaar is gewerkt aan meerdere doelen die waren gericht op het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Deze doelen zijn niet behaald, voornamelijk omdat de hulpverlening door de lange wachtlijsten onvoldoende van de grond zijn gekomen. Hoewel er kleine stappen zijn gezet, hebben deze nog niet geleid tot voldoende verbetering. Het is belangrijk dat de benodigde hulpverleningstrajecten daadwerkelijk worden uitgevoerd en dat ouders actief hieraan meewerken. De ondertoezichtstelling is dan ook nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar, zijnde de termijn die passend en geboden is gelet op de aard en ernst van de problematiek.
6.2.
De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de zorgregeling te wijzigen zoals door de moeder is verzocht, waarbij de regie bij de GI ligt. Het is daarbij de bedoeling dat de GI met de ouders en de kinderen in gesprek blijft over de mogelijkheden voor uitbreiding en aanpassing van de regeling (zoals de door de GI genoemde optie de omgang op enig moment weer uit te breiden naar logeren bij de moeder van vrijdag tot en met zondag) in onderling overleg zonder tussenkomst van de rechter en dat de GI zorgt voor de inzet van de begeleiding en ondersteuning (in opvoeding en in ouder-kind relatie) die daarbij nodig is.
6.3.
De kinderrechter verklaart voormelde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 30 april 2026 tot 30 april 2027 en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
7.2.
bepaalt – met wijziging in zoverre van de beschikking d.d. 29 oktober 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank – dat:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week bij de moeder zullen zijn van zaterdag 11:00 uur tot zondag 16:00 uur, waarbij de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting (WSS) de regie behoudt, en verklaart deze zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.