Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13476

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
09/138371-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 63 SrArt. 26 WWMArt. 55 WWM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor voorhanden hebben vuurwapen en munitie met afgaan in woning

Op 28 mei 2023 gingen verdachte en een medeverdachte een woning binnen waar een vuurwapen van categorie III afging terwijl de verdachte het in handen had. De kogel drong door het plafond en kwam in de bovenliggende woning terecht, waar de bewoonster op enkele meters afstand was. De rechtbank acht bewezen dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over het vuurwapen en de munitie, mede op basis van DNA-sporen op de munitie en de omstandigheden rondom het incident.

De verdediging voerde aan dat niet bewezen kon worden dat verdachte beschikkingsmacht had over het wapen en de munitie, en stelde een scenario van secundaire DNA-overdracht voor, maar de rechtbank verwierp deze verweren als onvoldoende aannemelijk. De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en oordeelde dat het feit strafbaar is en dat verdachte strafbaar is.

De officier van justitie eiste een deels voorwaardelijke taakstraf, maar de rechtbank vond dit niet recht doen aan de ernst van het feit en de gevolgen. Gezien het feit dat het wapen daadwerkelijk afging in een woning met risico voor de bovenbuurvrouw, en ondanks de overschrijding van de redelijke termijn, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden op met aftrek van voorarrest.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het strafblad, maar vond het bewezen feit te ernstig voor een lichtere straf. De straf is hoger dan de eis van de officier van justitie vanwege de ernst van het feit en de risico’s die het bezit van het vuurwapen met zich meebracht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens het samen voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie waarbij het wapen afging in een woning.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/138371-24
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Noort en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte, mr. L. van der Schee, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij tezamen en in vereniging, althans alleen, op of omstreeks 28 mei 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een onbekend merk en type, zijnde een vuurwapen in de vorm van
een pistool en/of
- munitie van categorie III, te weten 36, in elk geval een of meerdere 9x19 mm patro(o)n(en) van het merk/type Sterling
voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.
Volgens de raadsvrouw kan niet worden bewezen dat de verdachte beschikkingsmacht over zowel het vuurwapen als de munitie had.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank is van oordeel dat de verweren worden weerlegd door de inhoud van de opgenomen bewijsmiddelen. Zij overweegt als volgt.
Het wapen
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af. Op 28 mei 2023 zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: medeverdachte) de woning aan de [adres 2] ingegaan. Aldaar ging een wapen af waarvan is vast komen te staan dat dit een wapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie (WWM) was. Het ging om een harde knal die de woning via het plafond van een slaapkamer verliet en in de bovengelegen woning terechtkwam. Het wapen ging af op het moment dat de verdachte dit in handen had. Zij heeft hierover vlak na incident contact gehad met ‘papa’ en de medeverdachte. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid hiervan. Zij hecht dus geen waarde aan de schriftelijke verklaring die de verdachte daags voor de terechtzitting heeft ingediend, inhoudende dat zij niet degene was die het wapen heeft laten afgaan en niet van het wapen wist. Eén minuut voordat de bewoonster van de bovengelegen woning een melding bij de politie had gedaan, verliet de verdachte de woning. Zes minuten na de melding verliet de medeverdachte het pand. Op straat hebben zij elkaar weer opgezocht.
De tenlastelegging vereist niet dat wordt bewezen wie het wapen heeft laten afgaan. Met
de vaststelling dat dit de verdachte is geweest, staat echter vast dat zij wetenschap en beschikkingsmacht over dat wapen had. Voorts staat vast dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. Beide verdachten waren alleen in de woning, er was een harde knal te horen en kort na het incident ontmoetten zij elkaar weer op straat. Hiermee zijn de verweren weerlegd.
De rechtbank acht het ten laste gelegde in zoverre wettig en overtuigend bewezen
De munitie
De rechtbank stelt vast dat tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] in de meterkast een doos met munitie, te weten 35 patronen, is aangetroffen. Vaststaat dat dit munitie van categorie III van de WWM is.
Op basis van de gebruikte bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte zich op de ten laste gelegde datum bewust is geweest van de aanwezigheid van de munitie in de woning en daar ook over heeft kunnen beschikken. De rechtbank overweegt hiertoe dat DNA van de verdachte is aangetroffen op vijf kogelkoppen van patronen en op de tray en de doos waarin deze munitie zich bevond. Dat schreeuwt om een verklaring van de verdachte, maar die heeft zij niet gegeven. Het door de raadsvrouw geschetste scenario van secundaire overdracht van DNA heeft de verdachte niet zelf naar voren gebracht. Alleen al hierom kan dit scenario niet tot het ermee beoogde doel leiden. Overigens acht de rechtbank dit scenario onaannemelijk. Verder is DNA van de medeverdachte gevonden op vijf kogelkoppen van patronen en op de tray en de doos waarin deze munitie zich in bevond.
De rechtbank acht de tenlastelegging ook in zoverre wettig en overtuigend bewezen. Dit geldt niet voor de kogel die is gevonden in de auto van de medeverdachte, reeds omdat die kogel niet op of omstreeks de ten laste gelegde datum is gevonden.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij tezamen en in vereniging op 28 mei 2023 te 's-Gravenhage
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een onbekend merk en type, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- munitie van categorie III, te weten
35 stuks9x19 mm patronen van het merk Sterling voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 90 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsvrouw heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het ongecontroleerd bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De ervaring leert dat het bezit van vuurwapens gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan met mogelijk zeer ernstige gevolgen. In deze zaak is het vuurwapen daadwerkelijk afgegaan toen de verdachte dit in haar handen had. Dit gebeurde in een woning waar direct boven een bovenwoning is gelegen. De bewoonster van deze bovenwoning was thuis toen een kogel door haar vloer en plafond werd geschoten. De kogel heeft haar op enkele meters gemist. De verdachte heeft kennelijk in het geheel niet stil gestaan bij de risico’s van het voorhanden hebben van een vuurwapen en de ernstige gevolgen die daarmee hadden kunnen worden veroorzaakt. De rechtbank rekent dit de verdachte aan en neemt het feit dat zij heeft geschoten in strafverzwarende zin mee.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 maart 2026, waaruit blijkt dat zij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel is artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
De op te leggen straf
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank heeft goed gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, maar die leiden niet tot een andere uitkomst. Daar is het bewezen verklaarde feit simpelweg te ernstig voor.
De rechtbank acht een gevangenisstraf van zes maanden in beginsel passend en geboden. In deze zaak is de redelijke termijn van berechting echter met bijna drie maanden overschreden. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om een maand in mindering te brengen op dit uitgangspunt. Aldus zal zij de verdachte een gevangenisstraf van vijf maanden opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel. Deze straf is hoger dan de eis van de officier van justitie. Dit heeft ermee te maken dat de rechtbank het bewezen verklaarde feit aanzienlijk ernstiger weegt dan de officier van justitie heeft gedaan.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
5(
VIJF)
MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,
mr. C.M.A. de Koning, rechter,
mr. L. Anemaet, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2026.