Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13491

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
NL26.25678
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 5.1a Vb 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 8:72 AwbArt. 9 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister heeft op 24 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 19 mei 2026 via een beeldverbinding.

Eiser voerde aan dat de uiterste overdrachtsdatum van 26 mei 2026 was overschreden en dat de maatregel daarom onrechtmatig was. De rechtbank verwierp dit omdat het onderzoek op 19 mei 2026 was gesloten en de overdrachtsdatum toen nog niet was bereikt. Daarnaast betwistte eiser de zware grond 3k, maar de rechtbank oordeelde dat deze grond feitelijk juist was, mede omdat eiser niet meewerkte aan terugkeer naar Frankrijk, waar hij eerder asiel had aangevraagd.

De rechtbank stelde vast dat de minister tijdens de zitting enkele gronden had laten vallen, maar dat de overgebleven zware gronden 3a en 3k voldoende waren om de maatregel te dragen. Het beroep op een lichter middel faalde omdat de minister de medische situatie van eiser had betrokken en had gemotiveerd waarom inbewaringstelling noodzakelijk was. De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25678

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. H. Palanciyan, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De uiterste overdrachtsdatum
1. Eiser voert aan dat een vlucht staat gepland op 27 mei 2026. Dit is een dag te laat, aangezien de uiterste overdrachtsdatum 26 mei 2026 is. Een overdracht op 27 mei 2026 is niet mogelijk. Nederland is op dat moment immers verantwoordelijk voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Dit betekent dat de inbewaringstelling van eiser – sinds de oplegging daarvan op 24 april 2026 – onrechtmatig is.
1.1.
De rechtbank volgt dit betoog niet. Het onderzoek is op de zitting van 19 mei 2026 gesloten. Op dat moment was de uiterste overdrachtsdatum nog niet bereikt. Deze beroepsgrond kan reeds daarom niet slagen. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister tijdens de zitting heeft aangeven dat hij de uiterste overdrachtsdatum onder de aandacht zal brengen bij de regievoerder, zodat wellicht een eerdere vlucht voor eiser kan worden geboekt. De vraag of de overdrachtstermijn zal verstrijken is daarmee nog een toekomstig onzekere gebeurtenis.
De gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte grond vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens de zitting zware grond 3m en lichte grond 4a heeft laten vallen.
2.2.
Eiser heeft zware grond 3k betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zware grond 3a mogen tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, is uit Eurodac-onderzoek gebleken dat eiser op 28 oktober 2019 een asielaanvraag heeft gedaan in Frankrijk. Op 26 november 2025 is een claimakkoord ontvangen van de Franse autoriteiten. Nu eiser in Frankrijk geregistreerd stond in het kader van zijn asielaanvraag, mocht hij alleen in Frankrijk verblijven. [1] Het was eiser daarom niet toegestaan om naar Nederland door te reizen. Dit betekent dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen.
Ten aanzien van zware grond 3k, overweegt de rechtbank als volgt. Met het besluit van 2 februari 2026 is eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen. Dit besluit geldt tevens als een overdrachtsbesluit. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 15 april 2026 is het beroep hiertegen gegrond verklaard. Het besluit van 2 februari 2026 is vernietigd, maar de rechtsgevolgen zijn met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht in stand gelaten. Eiser heeft tijdens het vertrekgesprek op 23 februari 2026 verklaard niet mee te willen werken aan een terugkeer naar Frankrijk. Hiermee is zware grond 3k feitelijk juist. Eisers stelling dat hij een Dublinclaimant is, waardoor voor hem geen vertrekplicht geldt, is weliswaar juist, maar doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond.
2.3.
Zware gronden 3a en 3k zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000, te kunnen dragen. [2] Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Het lichter middel
3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. De toelichting van het lichter middel in de maatregel van bewaring is algemeen geformuleerd en ziet niet op de individuele omstandigheden van eiser. Zo zijn eisers medische omstandigheden onvoldoende meegenomen door de minister. Dit maakt ook dat het onttrekkingsrisico onvoldoende is toegelicht.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. De feitelijke juistheid van deze gronden, maakt dat het risico op onttrekking kan worden aangenomen. [3]
Ten aanzien van eisers medische situatie, is de rechtbank van oordeel dat de minister deze heeft meegenomen. In de maatregel van bewaring is opgenomen dat eiser kampt met psychische problemen. Daarbij is het in het kader van het genomen overdrachtsbesluit opgemaakte BMA [4] -advies betrokken. Eiser is in het licht van dit advies onder begeleiding van een psychologische verpleegkundige vanuit het asielzoekerscentrum overgebracht naar het detentiecentrum en de verpleegkundige van het detentiecentrum is gevraagd om eiser te bezoeken en zijn dossier te beoordelen. Eiser is vervolgens detentiegeschikt geacht. Gezien de psychische gesteldheid van eiser is gekozen om hem (met toestemming van de hulpofficier van justitie) onder cameraobservatie te plaatsen. Daarnaast heeft de minister gemotiveerd dat op het detentiecentrum een medische dienst en psychologen aanwezig zijn waar eiser een intake krijgt en, indien nodig, een medische behandeling en/of medicatie zal krijgen. Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De minister heeft mogen betrekken dat eiser niet heeft aangegeven dat de zorg binnen het detentiecentrum ontoereikend is. Evenmin zijn voor een dergelijk oordeel concrete aanknopingspunten in het dossier aanwezig. Daarmee heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij in dit geval niet gehouden was om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van het bepaalde in artikel 9 van Pro de Procedurerichtlijn dan wel artikel 21, eerste lid, van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst.
2.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
3.Zie artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, in combinatie met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000.
4.Bureau Medische Advisering.
5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (