Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13513

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
SGR 25/3455 en SGR 25/3456
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkheid en terugvordering Ziektewetuitkering

Eiseres maakte bezwaar tegen de niet-ontvankelijkheid van haar bezwaarschrift en tegen de terugvordering van een Ziektewetuitkering door het UWV. Zij stelde dat zij het terugvorderingsbesluit nooit had ontvangen en dat het UWV ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard.

De rechtbank oordeelde dat het UWV niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit van 1 december 2023 aan eiseres was verzonden en ontvangen. Ook was het niet duidelijk dat telefonisch contact over dit besluit had plaatsgevonden. Daarnaast speelden bijzondere omstandigheden, waaronder ernstige privéproblematiek van eiseres, mee bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.

De rechtbank concludeerde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard en dat het UWV ten onrechte had bepaald dat eiseres het teveel ontvangen bedrag in één keer moest terugbetalen. De bestreden besluiten werden vernietigd en het UWV werd opgedragen nieuwe beslissingen te nemen. Tevens werd het griffierecht en de proceskosten aan eiseres vergoed.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat het UWV nieuwe beslissingen moet nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/3455 en SGR 25/3456

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv)¸verweerder
(gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkheidverklaring van haar bezwaarschrift en tegen de terugvordering van haar uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij vindt dat er sprake is van een onrechtmatige terugvordering omdat eiseres het terugvorderingsbesluit van het Uwv nooit heeft ontvangen. Aan de hand van wat eiseres in beroep tegen de bestreden besluiten heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van het Uwv juist is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv het bezwaarschrift van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en ten onrechte heeft bepaald dat zij de teveel uitbetaalde ZW-uitkering in één keer moet terugbetalen . Eiseres krijgt dus gelijk en haar beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft zich op 27 juni 2023 ziekgemeld. Zij ontving vanaf 29 juni 2023 een voorschot ZW-uitkering van € 70,46 bruto per dag.
2.1.
Het Uwv heeft bij besluit van 23 november 2023 vastgesteld dat eiseres tijdens haar ziekte ontslag heeft genomen en daarmee onnodig een beroep doet op de ZW en heeft daarom besloten dat eiseres vanaf 20 november 2023 geen ZW-uitkering meer ontvangt. Opgemerkt is tevens dat de ten onrechte genoten ZW over de periode van 22 juni tot en met 19 november 2023 niet zal worden teruggevorderd.
2.2.
Met het besluit van 1 december 2023 (primair besluit I) heeft het Uwv bepaald dat er sprake is van een dubbele uitbetaling over de periode van 22 juni 2023 tot en met 23 juli 2023 en dat eiseres de te veel ontvangen uitkering moet terugbetalen. De terugvordering bedraagt netto € 744,97.
2.3.
Met het besluit van 6 mei 2025 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres van 23 januari 2025 tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van bezwaar.
2.4.
Met het besluit van 17 januari 2025 (primair besluit II) heeft het Uwv bepaald dat eiseres de te veel ontvangen ZW-uitkering in één keer aan het Uwv moet terugbetalen, omdat eiseres niet heeft gereageerd op de eerdere brieven en ook nog niet heeft betaald. Het gaat totaal om een bedrag van € 1.124,29.
2.5.
Met het besluit van 9 april 2025 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II.
2.7.
Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Het Uwv is niet verschenen.

Standpunt eiseres

3. Eiseres betwist dat zij te laat bezwaar heeft gemaakt tegen primair besluit I, nu zij dat besluit niet op 1 december 2023 heeft ontvangen maar daarmee pas bekend raakte toen zij primair besluit II ontving. Eiseres betwist ook dat er een telefoongesprek met het klantcontactcentrum (KCC) van het Uwv heeft plaatsgevonden over primair besluit I. Volgens haar is het aan het Uwv om aannemelijk te maken dat eiseres de brief heeft ontvangen en verwijst daarvoor naar vaste jurisprudentie. Zij merkt op dat bekendheid of redelijkerwijs bekend kunnen zijn met het besluit niet maakt dat de bezwaartermijn is aangevangen. Dat de bezwaartermijn is aangevangen door verzending en ontvangst van het dwangbevel (van 21 februari 2024) betreft volgens eiseres een onbegrijpelijke motivering. Eiseres voert tevens aan dat het primaire besluit I ten onrechte niet aan haar gemachtigde is verstuurd, waardoor er geen sprake is van rechtsgeldige bekendmaking. De gemachtigde van eiseres trad al op als gemachtigde van eiseres vóór 1 december 2023. Het besluit had dan ook verstuurd moeten worden naar de gemachtigde van eiseres. Mocht geoordeeld worden dat het primair besluit I wel rechtsgeldig is bekendgemaakt, voert eiseres subsidiair aan dat zij nooit gewezen is op de bezwaarmogelijkheden, waardoor eiseres verschoonbaar te laat bezwaar heeft ingediend.
Met betrekking tot het primaire besluit II voert eiseres aan dat, nu er geen sprake is van een rechtsgeldige bekendmaking van het primaire besluit I, het Uwv niet de bevoegdheid had tot invordering over te gaan.

Standpunt verweerder

Met betrekking tot de niet-ontvankelijkheidverklaring van het bezwaarschrift van eiseres stelt het Uwv zich op het standpunt dat uit de meegeleverde stukken blijkt dat eiseres op 5 december 2023 wel degelijk op de hoogte was van de terugvordering. Met betrekking tot primair besluit II heeft het Uwv aan eiseres diverse brieven gestuurd ten einde een betalingsregeling te kunnen afspreken. Omdat er geen reactie kwam is uiteindelijk op 17 januari 2025 bepaald dat het openstaande bedrag in één keer moet worden betaald.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordeling bestreden besluit I

4. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv het bezwaarschrift van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] In dit geval is het bezwaarschrift tegen het besluit van 1 december 2023 ontvangen op 23 januari 2025 en dat is te laat.
4.1.
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2.
In een uitspraak van 8 mei 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de nieuwe lijn geïntroduceerd voor de toetsing van verschoonbaarheid bij een overschrijding van de bezwaartermijn. Bij deze nieuwe toets zijn twee aspecten van belang. Allereerst moet gekeken worden of er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij moet worden gedacht aan persoonlijke omstandigheden. Maar ook aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress zorgen. Bij een beroep op de bijzondere omstandigheden volgt de CRvB een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering. Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval in hun samenhang moeten worden bezien. Hierbij wordt onder andere ook gekeken naar de hoedanigheid van de betrokkene. [4]
4.3.
Eiseres stelt dat zij het primair besluit I niet heeft ontvangen en daarmee pas bekend raakte toen zij het primaire besluit II ontving.
Het is in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit op het adres van de geadresseerde is ontvangen als deze stelt dat zij een aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd rechtvaardigt het vermoeden van ontvangen van het besluit op dat adres. Dat brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending aan het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie (CRvB 16-6-2011;ECLI 2011.BQ9423).
Het primaire besluit I is per post verzonden. Het op de brief vermelde adres is het juiste adres. Het Uwv kan dus in eerste instantie volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Dat kan verweerder echter niet: het Uwv heeft geen deugdelijke verzendadministratie aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat het besluit van 1 december 2023 is verzonden en door eiseres is ontvangen.
4.4.
Kan de ontvangst van het primair besluit I dan worden afgeleid uit de telefonische contacten met het KCC van het UWV? Het Uwv heeft diverse verslagen van het klantcontactcentrum overgelegd waaruit het volgende blijkt. Op 4 december 2023 hebben medewerkers van de gemeente aan het Uwv gevraagd wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitkering van “cliënt”. Zij geven aan dat er een maatregel is opgelegd aan cliënt dat ze vanaf 20 november 2023 geen uitbetaling meer ontvangt, een dubbel uitbetaalde ZW-uitkering dient terug te betalen, dat een toeslag is aangevraagd en daarmee misschien kan worden verrekend en dat cliënt er niets meer van snapt en de medewerkers van de gemeente er ook niet uitkomen. Tijdens het telefoongesprek op 5 december 2023 heeft de medewerker van het KCC aan de medewerker van de gemeente uitgelegd dat er een maatregel is toegepast omdat de ontslagname verwijtbaar is, de uitkering over de periode voorafgaand aan 19 november 2023 niet zal worden teruggevorderd, dat de periode 22 juni 2023 tot en met 23 juli 2023 dubbel is betaald en dat contact kan worden opgenomen voor een betalingsregeling. Het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat het besluit van 1 december 2023 eiseres heeft bereikt.
Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de verslagen van het KCC niet blijkt dat eiseres zelf heeft gesproken met KCC. De rechtbank neemt aan dat met “cliënt” wel op eiseres wordt gedoeld. Niet duidelijk wordt over welk besluit is gesproken. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangevoerd dat er eerdere procedures zijn gevoerd met het Uwv in het kader van de ZW-uitkering en de Werkloosheidswet-uitkering en dat het telefoongesprek ook op andere besluiten betrekking kan hebben. Eiseres heeft vanwege het beëindigen van het ZW-uitkering op 23 november 2023 een brief ontvangen van het Uwv en het is niet uitgesloten dat zij daar naar refereert. Hoewel het lijkt alsof in het telefoongesprek wordt gerefereerd aan het besluit van 1 december 2023, staat dit volgens de rechtbank niet zondermeer vast en kan niet worden uitgesloten dat contact is gezocht naar aanleiding van een ander besluit. De rechtbank kan uit de verslagen van 4 en 5 december 2023 niet afleiden dat eiseres -via de gemeente- telefonisch contact heeft gezocht naar aanleiding van het besluit van 1 december 2023 en dat besluit dus heeft ontvangen.
4.5.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat er bijzondere omstandigheden spelen. Het primaire besluit I enkel is gericht aan eiseres. Ter zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat eiseres in de periode eind 2023 - begin 2024 kampte met ernstige privéproblematiek en dat het niet goed met haar ging (dat blijkt ook uit het dossier), dat meerdere procedures rond ZW en de Werkloosheidswet uitkering zijn gevoerd (dat blijkt ook uit het dossier) en dat zij mede daardoor onvoldoende inzicht en overzicht had in haar eigen administratie. Voorts heeft zij een aanzienlijke belang bij het primaire besluit tot terugvordering van het bedrag van € 744,97. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze omstandigheden ook worden betrokken bij de toetsing van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
4.6.
Het vorenstaande in acht nemend oordeelt de rechtbank dat niet vast staat dat eiseres het besluit van 1 december 2023 heeft ontvangen en dat zij met de inhoud ervan pas bekend raakte op 17 januari 2025 en op vervolgens 23 januari 2025 bezwaar heeft gemaakt. De combinatie met de bijzondere omstandigheden en het aanzienlijke belang van eiseres, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het Uwv heeft het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit I is gegrond.
Beoordeling bestreden besluit II
5. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv terecht heeft bepaald dat eiseres de teveel ontvangen ZW-uitkering in één keer moet terugbetalen. Het gaat totaal om een bedrag van € 1.124,29.
5.1.
Artikel 33, eerste lid, van de ZW bepaalt dat het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd.
5.2.
Nu het bezwaarschrift van eiseres tegen het primaire besluit I ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, staat het volgens de rechtbank niet vast dat er sprake is van onverschuldigd betalen van ZW-uitkering aan eiseres in de zin van artikel 33, eerste lid, van de ZW. Voor het Uwv bestond er dan ook geen grondslag om tot invordering over te gaan met het besluit van 17 januari 2025. Er is dan ook geen sprake van een rechtmatige invordering.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het Uwv nieuwe beslissingen op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het Uwv hiervoor een termijn van zes weken de tijd na de dag van verzending van deze uitspraak.
8. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden en krijgt zij een vergoeding van zijn proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen.
9. De proceskosten in beroep stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van een zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1). Ook wordt bepaald dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit I en het bestreden besluit II;
  • bepaalt dat het Uwv met inachtneming van het hiervoor overwogene nieuwe beslissingen op bezwaar dient te nemen;
  • draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 106,- aan eiseres te vergoeden
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932.