ECLI:NL:RBDHA:2026:13514

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
C/09/694322 / HA 25-989
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:14 BWArt. 2:15 BWArt. 6:119 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging lidmaatschap bewonersvereniging en ontruiming woonruimte

De bewonersvereniging heeft het lidmaatschap van [gedaagde] per 31 december 2025 opgezegd vanwege langdurige spanningen en onhoudbare leefomstandigheden binnen de woongroep. Ondanks meerdere mediationpogingen en verzoeken tot vertrek, bleef de situatie ongewijzigd. De vereniging heeft het besluit tot opzegging genomen conform de statuten en de redelijkheid en billijkheid.

[gedaagde] heeft het besluit aangevochten als nietig en vernietigbaar, stellende dat de opzeggingsgronden niet zijn vervuld en dat het besluit onredelijk is. De rechtbank oordeelt dat het besluit rechtsgeldig is genomen door het bevoegde orgaan, niet in strijd is met de wet of statuten, en dat de vereniging in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen gezien de langdurige conflicten en onveilige situatie.

De rechtbank wijst de vorderingen van [gedaagde] af en verklaart het lidmaatschap geëindigd. Tevens wordt [gedaagde] veroordeeld om binnen een maand de woonruimte te ontruimen en de sleutels aan de vereniging te overhandigen. De contributie blijft verschuldigd tot ontruiming. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het lidmaatschap van de vereniging eindigt per 31 december 2025 en [gedaagde] moet binnen een maand de woonruimte ontruimen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
rol-/ en zaaknummer: C/09/694322 / HA ZA 25-989
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
de vereniging
BEWONERSVERENIGING [adres],
te [plaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: de vereniging,
advocaten: mrs. E.M. Prins en M.A.R. Schuckink Kool,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S.A. van Leeuwen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 oktober 2025, met producties 1 tot en met 23;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- het tussenvonnis van 21 januari 2026, waarin de datum voor de mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overleggen aanvullende producties aan de zijde van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 6;
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2026 plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen over en weer hun standpunten verder toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben gezegd.
1.3.
Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De vereniging is een woonvereniging die uit elf leden bestaat. De leden wonen met elkaar samen in een woongroep. Aan het lidmaatschap van de vereniging is een recht op gebruik van woonruimte verbonden.
2.2.
De vereniging heeft tot doel het behartigen van de belangen van de leden op het gebied van hun huisvesting tegenover derden en het bevorderen en onderhouden van het contact en de goede verstandhouding tussen de leden onderling.
2.3.
[gedaagde] is sinds 1 juli 2017 lid van de vereniging en bewoont een kamer in het pand aan de [adres] .
2.4.
In de statuten van de vereniging is onder meer het volgende bepaald:
EINDE VAN HET LIDMAATSCHAP
Artikel 6
1. Het lidmaatschap eindigt:
(…)
c. door opzegging namens de vereniging. Deze kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten voor het lidmaatschap bij de statuten gesteld te voldoen, wanneer hij zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
(…)
2. Opzegging namens de vereniging geschiedt door de algemene vergadering.
3. Opzegging van het lidmaatschap door het lid of door de vereniging kan slechts geschieden tegen het einde van een verenigingsjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden.
(…)
7. Ingeval het lidmaatschap eindigt, moet de terbeschikkinggestelde woonruimte op de datum waarop het lidmaatschap eindigt, ontruimd ter beschikking worden gesteld aan de vereniging en moeten de sleutels worden afgegeven. Een lid of gewezen lid kan zich niet beroepen op de gesloten huurovereenkomst.
(…)
LIDMAATSCHAP
(…)
Artikel 8
Bij het einde van het lidmaatschap dient de nog verschuldigde contributie onverwijld te worden betaald en blijft het gewezen lid (…) onbeperkt aansprakelijk voor de nog niet betaalde contributie en eventuele andere schulden aan de vereniging. (…)
Artikel 10
1. Bij het gebruik van de woonruimte dient het lid zich te houden aan de bepalingen van deze statuten, de huurovereenkomst en eventuele reglementen. (…)”
2.5.
Tussen [gedaagde] en zowel huidige als voormalige bewoners bestaan al jaren spanningen.
2.6.
In 2019, 2021 en 2023 heeft de vereniging geprobeerd de verstoorde verhoudingen tussen [gedaagde] en de andere leden van de vereniging te herstellen door middel van gesprekken, begeleiding en mediation.
2.7.
Per brief van 15 november 2022, die op de algemene ledenvergadering op diezelfde dag is voorgelezen en bekrachtigd op de algemene ledenvergadering van 6 december 2022 met negen stemmen voor en geen stemmen tegen, heeft de vereniging [gedaagde] verzocht te verhuizen.
2.8.
Bij brief van 26 november 2024 heeft de advocaat van [gedaagde] geschreven dat het besluit van de algemene ledenvergadering van 15 november 2022 nietig is en de vereniging verzocht met [gedaagde] in gesprek te gaan.
2.9.
Op 20 maart 2025 hebben de leden van de vereniging een uitnodiging ontvangen voor de algemene ledenvergadering van 9 april 2025. De ledenvergadering is bijeengeroepen om te stemmen over het voorstel tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] per 31 december 2025. De belangrijkste redenen zijn:
agressief gedrag richting medebewoners;
herhaaldelijk verwaarlozen van schoonmaaktaken ondanks herhaalde verzoeken; wat leidt tot een onaangename en onhygiënische leefomgeving;
structureel negeren van afspraken en regels binnen de vereniging;
geen bereidheid om deel te nemen aan de woongemeenschap en expliciete uitspraken dat hij de vereniging “kapot wil maken”;
meerdere bewoners hebben aangegeven te zijn vertrokken vanwege de onhoudbare situatie en zich onveilig voelen;
ondanks eerdere bemiddelingspogingen, waaronder mediation, is de situatie niet verbeterd. Partijen zijn niet tot elkaar gekomen. Nieuwe bewoners voelen zich onveilig, en er is sprake van aanhoudende spanning en ontwrichting van de woongemeenschap.
2.10.
Op 9 april 2025 is tijdens de algemene ledenvergadering van de vereniging besloten het lidmaatschap van [gedaagde] per 31 december 2025 te beëindigen. Alle leden van de vereniging, met uitzondering van [gedaagde] , hebben voor dit voorstel gestemd.
2.11.
Per e-mail van 24 juni 2025 heeft de advocaat van de vereniging de advocaat van [gedaagde] verzocht mee te delen of [gedaagde] vrijwillig zou vertrekken per 31 december 2025.
2.12.
Per e-mail 25 juni 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] de vereniging laten weten dat [gedaagde] niet vrijwillig zal vertrekken.

3.Het geschil

3.1.
In conventie vordert de vereniging – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. voor recht verklaart dat het lidmaatschap van [gedaagde] van de vereniging per 31 december 2025 is geëindigd;
II. voor recht verklaart dat met het einde van het lidmaatschap ook het recht op bewoning van de woonruimte aan de [adres] is geëindigd;
III. [gedaagde] veroordeelt binnen drie dagen na de betekening van het vonnis de kamer aan de [adres] en alle gemeenschappelijke ruimten volledig en behoorlijk te verlaten, te ontruimen en de sleutels ter beschikking van de vereniging te stellen;
IV. bepaalt dat indien [gedaagde] nalaat zijn kamer te ontruimen en de sleutels ter beschikking te stellen aan de vereniging, de vereniging bevoegd is de ontruiming via reële executie ten uitvoer te leggen;
V. bepaalt dat indien [gedaagde] nalaat zijn kamer te verlaten, te ontruimen en de sleutels ter beschikking te stellen aan de vereniging, [gedaagde] de contributie ter hoogte van € 500,40 per maand aan de vereniging verschuldigd blijft tot de datum van ontruiming;
VI. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
Aan haar vorderingen legt de vereniging het volgende ten grondslag. Het besluit van 9 april 2025 tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] per 31 december 2025 is naar inhoud, wijze van totstandkoming en motivering in overeenstemming met de statuten en de redelijkheid en billijkheid. De vereniging heeft meerdere jaren herhaaldelijk geprobeerd de gespannen verhoudingen tussen de leden en [gedaagde] te herstellen door middel van gesprekken, begeleiding en mediationtrajecten. Deze inspanningen zijn zonder resultaat gebleven. Zowel huidige als voormalige bewoners hebben verklaard dat het gedrag van [gedaagde] het samenleven met de andere bewoners onmogelijk heeft gemaakt. Van de vereniging kan in redelijkheid niet worden gevergd dat het lidmaatschap van [gedaagde] wordt voortgezet. Nu het gebruik van de woonruimte is verbonden aan het lidmaatschap van de vereniging, eindigt dit gebruik van rechtswege met de beëindiging daarvan. [gedaagde] moet zijn kamer ontruimen en ter beschikking stellen aan de vereniging onder afgifte van de sleutels.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vereniging in conventie.
3.4.
[gedaagde] vordert in reconventie, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair
I. te verklaren voor recht dat het besluit van de algemene ledenvergadering van de vereniging van 9 april 2025 tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] als lid van de vereniging nietig is;
subsidiair
II. het besluit van de algemene ledenvergadering van de vereniging van 9 april 2025 te vernietigen;
zowel primair als subsidiair
III. de vereniging te veroordelen om [gedaagde] te herstellen in zijn rechten als lid van de vereniging;
IV. de vereniging te veroordelen binnen 14 dagen na het vonnis schriftelijk dan wel per e-mail aan de leden van de vereniging, waaronder [gedaagde] , mededeling te doen van de nietigverklaring dan wel vernietiging van het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] en van het feit dat hij in zijn rechten als lid wordt hersteld;
in conventie en in reconventie
V. de vereniging te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.5.
Daartoe voert [gedaagde] het volgende aan. Het besluit van de vereniging van 9 april 2025 tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] is in strijd met artikel 6 eerste Pro lid en onder c van de statuten en dus nietig op grond van artikel 2:14 BW Pro, omdat geen van de daarin genoemde opzeggingsgronden zich heeft voorgedaan. Voor zover wel aan één of meerdere van de in de statuten genoemde opzeggingsgronden is voldaan, dan is het besluit van 9 april 2025 vernietigbaar op grond van artikel 2:15 BW Pro wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

4.1.
Gezien de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
Is het besluit van 9 april 2025 nietig of vernietigbaar?
4.2.
Aan de orde is de vraag of het besluit van de vereniging van 9 april 2025 tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] van de vereniging nietig of vernietigbaar is.
4.3.
In artikel 2:14 lid 1 BW Pro is bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of statuten nietig is.
4.4.
Het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van 25 april 2025 is genomen door de algemene ledenvergadering, het bevoegde orgaan van de vereniging. Op 20 maart 2025 is een oproeping voor de algemene ledenvergadering met agenda verzonden. Het voorstel tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] is daarop als afzonderlijk agendapunt geagendeerd. In de vergadering is door de leden gestemd en het besluit is schriftelijk vastgelegd. De statuten voorzien expliciet in beëindiging van het lidmaatschap door opzegging door de vereniging op basis van een besluit van de algemene ledenvergadering wanneer redelijkerwijs niet van de vereniging gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren (artikel 6 lid 1 onder Pro c). Van dit laatste is overigens niet gebleken, zo zal hieronder worden geoordeeld. Daarmee is voldaan aan de statutaire besluitvormingsvereisten. Verder is niet gebleken dat het besluit van 9 april 2025 in strijd is met de wet. Van nietigheid van het besluit als bedoeld in artikel 2:14 lid 1 BW Pro is daarom geen sprake. Dit betekent dat het in reconventie primair onder 3.4. I gevorderde zal worden afgewezen.
4.5.
Een besluit tot opzegging is op grond van artikel 2:15 BW Pro vernietigbaar als het besluit in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen die de totstandkoming van de besluiten regelen of met de redelijkheid en billijkheid.
4.6.
De vereniging betwist dat zij niet in redelijkheid tot het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] heeft kunnen komen. Zij meent dat niet van haar kan worden gevergd [gedaagde] nog langer als lid van de vereniging toe te laten.
4.7.
Voor zover [gedaagde] betoogt dat na het besluit van 6 december 2022 de vereniging niets heeft ondernomen om dat besluit te effectueren, waardoor bij hem gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vereniging daaraan geen uitvoering meer zou geven, miskent hij dat het besluit van 9 april 2025 een nieuw besluit is dat is genomen na een nieuwe oproeping voor de algemene ledenvergadering, een nieuwe agendering en stemming.
Toetsingsmaatstaf
4.8.
De vereniging komt bij het nemen van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap een vrijheid toe die meebrengt dat een besluit tot opzegging jegens het betrokken lid slechts ontoelaatbaar is indien de vereniging in de gegeven omstandigheden jegens het betrokken lid in redelijkheid niet tot een zodanige maatregel had kunnen komen. De rechter moet terughoudendheid betrachten bij de beoordeling of de algemene ledenvergadering in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. [1]
4.9.
Voor de beoordeling of de vereniging in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen is niet noodzakelijk om per incident vast te stellen wat er feitelijk is gebeurd en wie in de ontstane situatie blaam treft. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.
4.10.
[gedaagde] weet al sinds eind 2022 dat de vereniging wil dat hij gaat verhuizen. Op basis van de schriftelijke verklaringen van de bewoners en oud-bewoners in het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de vereniging niet in redelijkheid tot het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [gedaagde] is gekomen.
4.11.
De vereniging heeft gesteld dat de drie mediationtrajecten in 2019, 2021 en 2023 betrekking hadden op het gedrag van en het conflict met [gedaagde] . [gedaagde] betwist dit. Volgens [gedaagde] hadden de mediationtrajecten niet uitsluitend hierop betrekking. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij gesteld dat de eerste mediation in 2019 zag op het functioneren van de vereniging en hoe de leden met elkaar omgingen. De vereniging heeft gemotiveerd weersproken dat het eerste mediationtraject in 2019 uitsluitend op het functioneren van de vereniging zag. Volgens de vereniging had dat eerste traject ook betrekking op de bestuurskwestie, waarbij [gedaagde] als oud bestuurslid was betrokken.
Niet ter discussie staat dat de twee andere mediationtrajecten betrekking hadden op gedragingen van [gedaagde] tegenover de medebewoners en op de gespannen verhoudingen met de andere leden van de woongroep. Dat rechtvaardigt niet de conclusie dat de vereniging niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen.
4.12.
De rechtbank concludeert dat het besluit tot opzegging van het lidmaatschap niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en daarom niet op deze grond vernietigbaar is. De vereniging heeft op goede gronden en rechtsgeldig het lidmaatschap van [gedaagde] opgezegd. Dit betekent dat het in reconventie subsidiair gevorderde onder 3.4. II zal worden afgewezen. De in conventie gevorderde verklaring voor recht dat het lidmaatschap van [gedaagde] van de vereniging per 31 december 2025 is geëindigd zal worden toegewezen.
Ontruiming van de woonruimte
4.13.
Nu het lidmaatschap van [gedaagde] van de vereniging is geëindigd door opzegging en het gebruik van de woonruimte is verbonden aan het lidmaatschap, moet [gedaagde] de aan hem ter beschikking gestelde woonruimte ontruimen en deze onder afgifte van de sleutels ter beschikking stellen aan de vereniging De vordering van de vereniging in conventie om [gedaagde] te veroordelen om de woonruimte te ontruimen zal worden toegewezen. [gedaagde] heeft aangevoerd een half jaar nodig te hebben om nieuwe woonruimte te vinden en dat daarom een langere ontruimingstermijn op zijn plaats is. Alhoewel de rechtbank met [gedaagde] van oordeel is dat de door de vereniging gevorderde termijn van drie dagen te kort is, volgt zij [gedaagde] niet in een ontruimingstermijn van een half jaar. Redengevend daarvoor is dat de gespannen situatie in het pand al te lang voortduurt en [gedaagde] bovendien al sinds 2022 weet dat de vereniging wil dat hij vertrekt. De rechtbank zal de termijn van ontruiming bepalen op een maand na de datum van dit vonnis.
Contributie
4.14.
De vereniging vordert de contributie van [gedaagde] voor de periode totdat hij de woonruimte heeft ontruimd. Nu [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd, zal deze vordering worden toegewezen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.15.
[gedaagde] heeft verzocht het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De vereniging houdt vast aan de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. Op grond van artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter, tenzij uit de wet of de aard van de zaak anders voortvloeit, verklaren dat zijn/haar vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen. In dit geval staat de wet hier niet aan in de weg. Ook de aard van de zaak verzet zich niet tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het belang van [gedaagde] om andere woonruimte te vinden in een overspannen woningmarkt is een zwaarwegend belang. Toch weegt deze specifieke omstandigheid niet op tegen het belang van de vereniging om het einde van het lidmaatschap en daarmee ook het einde van de bewoning van de woonruimte te effectueren om zo een eind te maken aan de onhoudbare en gespannen situatie binnen de woongroep als gevolg van het gedrag van [gedaagde] .
Proceskosten
4.16.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de vereniging worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.329,21
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat het lidmaatschap van [gedaagde] van de vereniging per 31 december 2025 is geëindigd,
5.2.
verklaart voor recht dat met het einde van het lidmaatschap ook het recht op bewoning van de woonruimte aan de [adres] is geëindigd,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na dit vonnis zijn kamer aan de [adres] en alle gemeenschappelijke ruimten volledig en behoorlijk te verlaten, te ontruimen en de sleutels ter beschikking van de vereniging te stellen,
5.4.
bepaalt dat [gedaagde] aan de vereniging de contributie van € 500,40 per maand verschuldigd is tot de datum van ontruiming,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van de vereniging, tot op heden begroot op € 2.329,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.9.
wijst de vorderingen af,
5.10.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van de vereniging, tot op heden begroot op € 653 aan salaris voor de advocaat,
5.11.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
283