ECLI:NL:RBDHA:2026:1358

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
C/09/696712 / KG ZA 25-1282
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 WVO 2020Art. 2.87 WVO 2020Art. 2.91 WVO 2020Art. 3 WotArt. 4 Wot
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod op onderzoek Inspectie naar bestuurlijk handelen Stichting Islamitisch Onderwijs Nederland

Stichting Islamitisch Onderwijs Nederland (SIO) is het bevoegd gezag van het Cornelius Haga Lyceum (CHL) in Amsterdam, dat sinds 2022 onder geïntensiveerd toezicht staat vanwege ernstige en langdurige tekortkomingen in de onderwijskwaliteit. De Inspectie van het Onderwijs kondigde een onderzoek aan naar het bestuurlijk handelen van SIO, gericht op de vraag of het bestuur uitvoering geeft aan kwaliteitszorg en wettelijke voorschriften naleeft.

SIO vorderde een verbod op dit onderzoek, stellende dat het onrechtmatig is, misbruik van bevoegdheid vormt en dat het onderzoek overbodig is omdat de Inspectie al uitgebreid onderzoek heeft gedaan. De rechtbank oordeelde dat de Inspectie een wettelijke grondslag heeft voor het onderzoek en dat het onderzoek zich richt op het bestuurlijk handelen, niet op de onderwijskwaliteit zelf.

De rechtbank wees het verbod af omdat SIO onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Inspectie in redelijkheid niet tot het besluit had kunnen komen. Ook werd geoordeeld dat het onderzoek niet onrechtmatig is en geen misbruik van bevoegdheid inhoudt. SIO werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verbod op het onderzoek naar het bestuurlijk handelen van Stichting Islamitisch Onderwijs Nederland wordt afgewezen en SIO wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/696712 / KG ZA 25-1282
Vonnis in kort geding van 28 januari 2026
in de zaak van
STICHTING ISLAMITISCH ONDERWIJS NEDERLANDte Amsterdam,
eiseres,
advocaten mrs. W.E. Pors en V. Martikjan te Rotterdam,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Inspectie van het Onderwijs)te Den Haag,
gedaagde,
advocaten mrs. J.V. de Kort en M.J. Vetzo te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘SIO’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 31 december 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de op 14 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij van de zijde van SIO pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
SIO is het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 onder b van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) van het Cornelius Haga Lyceum (hierna: het CHL) in Amsterdam. Deze school is in het schooljaar 2017 – 2018 van start gegaan met 45 leerlingen en heeft in het nu lopende schooljaar 497 leerlingen. Het CHL biedt onderwijs voor de schoolafdelingen mavo, havo en vwo.
2.2.
Het bestuur van SIO kent een éénlaags model, met een algemeen (toezichthoudend-niet uitvoerend) bestuur en een dagelijks bestuur. De heer [naam 1] is voorzitter van het algemeen bestuur en de heer [naam 2] is de secretaris/penningmeester. De heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) is directeur-bestuurder van SIO en houdt zich bezig met het dagelijks bestuur van SIO.
2.3.
Toezicht op het onderwijs is geregeld in de Wet op het onderwijstoezicht (Wot). In die wet is bepaald dat er een Inspectie van het onderwijs is (de Inspectie) die ressorteert onder de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De taken van de Inspectie zijn beschreven in artikel 3 van Pro de Wot. De Inspectie houdt uit hoofde van haar taak in artikel 3 lid Pro 1, onder a, sub 1, van de Wot toezicht op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften door instellingen voor voortgezet onderwijs. Hiertoe verricht de Inspectie regulier onderzoek, zoals uitgewerkt in artikel 11 van Pro de Wot. Daarnaast kan de Inspectie, op grond van artikel 15 van Pro de Wot, ter uitvoering van haar taken bedoeld in artikel 3 uit Pro eigen beweging specifiek onderzoek verrichten.
2.4.
In oktober 2018 heeft de Inspectie een regulier onderzoek bij het CHL gedaan. Dat heeft geleid tot een concept-rapport. Na verder onderzoek is door de Inspectie op 29 mei 2019 een definitief rapport opgemaakt. Ook daarna is door de Inspectie veelvuldig onderzoek gedaan bij het CHL en zijn er diverse rapportages opgemaakt, tot op heden meer dan twintig. De rapportages hebben betrekking op onderzoek naar veiligheid leerlingen en burgerschap, kwaliteit, bestuur, beoordeling examens, mavo, havo en vwo, registratie en melding aan- en afwezigheid, beoordeling examens, financiën, en voorts op herstelonderzoeken.
2.5.
Het CHL staat sinds 2022 onder geïntensiveerd toezicht van de Inspectie vanwege meerdere wettelijke tekortkomingen in de onderwijskwaliteit. Vanaf 2022 heeft de Inspectie de drie schoolafdelingen van het CHL meermaals beoordeeld als ‘zeer zwak’ of ‘onvoldoende’. Het oordeel ‘zeer zwak’ is het meest negatieve oordeel dat de Inspectie aan een school kan geven. Het betekent dat de leerresultaten ernstig en langdurig tekortschieten en dat de school ernstig tekortschiet in een of meer regels uit de WVO 2020 of andere onderwijswetten. Het oordeel ‘onvoldoende” betekent dat de school op meerdere punten niet voldoet aan de basiskwaliteit die de wet eist.
2.6.
De laatste stand van zaken is dat de Inspectie op basis van onderzoek op het CHL uitgevoerd in april 2025, op 10 juli 2025 twee rapporten heeft uitgebracht, beide genaamd “Herstelonderzoek”. In het ene rapport Herstelonderzoek, betreffende mavo en havo, is de kwaliteit van het onderwijs beoordeeld als ‘zeer zwak’ en staat onder het kopje “Vervolgtoezicht” vermeld dat het bestuur en de school ervoor moeten zorgen dat de kwaliteit van het onderwijs op beide afdelingen verbetert, en dat de Inspectie een jaar na de vaststelling van dit rapport opnieuw herstelonderzoek doet en daarbij een nieuw eindoordeel geeft. Ook is daar vermeld dat de Inspectie gedurende de herstelperiode één of meer gesprekken voert met het bestuur en de school. In het rapport Herstelonderzoek betreffende het vwo valt te lezen dat de onderwijskwaliteit als onvoldoende is beoordeeld vanwege ernstige tekortkomingen in het onderwijsproces en dat het bestuur en de school ervoor moeten zorgen dat de tekortkomingen worden opgeheven en de kwaliteit van het onderwijs verbetert. Onder het kopje “Vervolgtoezicht” staat verder dat de Inspectie na vaststelling van het definitieve rapport bepaalt wanneer zij herstelonderzoek doet en dat de Inspectie de komende tijd ook meer gesprekken voert met het bestuur en de school, waarin wordt nagegaan of er voldoende voortgang is in het voldoen aan de herstelopdrachten. In de rapporten geeft de Inspectie een opsomming van alle wettelijke tekortkomingen op de drie afdelingen bij het CHL.
De Inspectie heeft diverse herstelopdrachten gegeven en heeft vervolgonderzoek aangekondigd. De Inspectie monitort de voortgang van verbetering van de afdelingen mavo en havo door middel van drie voortgangsgesprekken. Het bestuur heeft daartoe een verbeterplan opgesteld. Het bestuur van SIO heeft 29 augustus 2025 ingestemd met een toezichtsplan voor mavo en havo. Op 31 oktober 2025 heeft het eerste voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen bestuur en Inspectie en het volgende voortgangsgesprek staat gepland op 13 februari 2026.
2.7.
Op 19 september 2025 heeft de Inspectie de bekostiging voor het CHL met ingang van oktober 2025 gedeeltelijk opgeschort naar aanleiding van het vwo-rapport van 10 juli 2025. Op 15 januari 2026 wordt onderzocht of de aan de sanctie ten grondslag liggende tekortkomingen zijn verholpen.
2.8.
In een gesprek van 5 september 2025 met bestuursleden van SIO heeft de Inspectie te kennen gegeven dat zij het voornemen heeft een onderzoek te starten naar het bestuurlijk handelen bij SIO omdat de ernst van de situatie bij het CHL al langere tijd voortduurt.
.
2.9.
Bij e-mail van 7 november 2025 heeft de Inspectie gemeld dat zij in januari 2026 een onderzoek uitvoert naar het bestuurlijk handelen bij SIO. Op 11 november 2025 heeft de Inspectie aan [naam 3] het onderzoeksplan voor het onderzoek naar bestuurlijk handelen (het Onderzoeksplan) toegezonden. Daarin staat onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Dit onderzoek naar bestuurlijk handelen van het bestuur van Stichting Islamitisch Onderwijs vindt zijn oorsprong in de langdurige tekortkomingen in de onderwijskwaliteit. Dit onderzoek heeft ten doel om na te gaan of het schoolbestuur uitvoering geeft aan de kwaliteitszorg, gericht op de noodzakelijke verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en de naleving van de wettelijke voorschriften. Hierbij stellen we een centrale onderzoeksvraag, die we vervolgens in deelvragen uiteen laten vallen. Deze centrale vraag luidt: Geeft het bestuur uitvoering aan kwaliteitszorg, waaronder een stelsel van kwaliteitszorg, en treft het bestuur daarbij maatregelen die nodig zijn voor de borging van de onderwijskwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs (art. 2.87, WVO 2020)?
Om dit te onderzoeken, stellen we een aantal deelvragen:
1.
Voldoet het bestuur van Stichting Islamitisch Onderwijs aan de wettelijke eisen voor goed bestuur en intern toezicht (Artikel 3.1, 3.2 en 3.3. WVO 2020)?
2.
Bewaakt het schoolbestuur van SIO dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en dat het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen (Artikel 2.91, lid a, WVO 2020)?
3.
Stuurt het bestuur op verbetering van het onderwijs en de organisatie van het onderwijs wanneer dat nodig is (Artikel 2.91, lid b, WVO 2020)?
4.
Zorgt het bestuur voor een goed functionerende medezeggenschap overeenkomstig de Wet medezeggenschap op scholen en de daarop aanvullende bepalingen in de WVO 2020?
In het Onderzoeksplan is ook een globale beschrijving gegeven van de drie fases van het onderzoek: de voorbereidende fase, de uitvoerende fase en de afrondingfase. De Inspectie heeft het SIO verzocht om voor aanvang van de voorbereidende fase een groot aantal documenten toe te sturen (zoals onder meer: vastgestelde statuten van de stichting, het bestuursreglement, het rooster van aftreden van het bestuur, de integriteitscode van het bestuur, het managementstatuut, de code goed bestuur en goed toezicht die het bestuur hanteert en documenten waarmee het uitvoerend deel van het bestuur zich verantwoord aan het toezichthoudend deel van het bestuur).
Voor wat betreft het uitvoerend onderzoek staat in het Onderzoeksplan vermeld dat de Inspectie op 20, 21 en 22 januari 2026 het bestuur zal bezoeken voor onder meer: een bestuursgesprek, gesprek schoolleiding, gesprek teamleider, gesprek medezeggenschap, gesprek over personeelsbeleid en inzage in personeelsdossiers, gesprek met leraren en een gesprek met oudergeleding MR,
Over de afrondingsfase staat in het Onderzoeksplan vermeld hoe de bevindingen van de Inspectie worden verwoord in antwoorden op de onderzoeksvragen. Daarop wordt een concept-rapport opgesteld, waarin het bestuur daarover wordt geïnformeerd en gelegenheid krijgt om daarop te reageren. Verder is vermeld dat het rapport ten slotte drie weken na vaststelling openbaar wordt gemaakt.
2.10.
Op 12 november 2025 heeft de Inspectie enkele data voorgesteld voor een startgesprek voor het onderzoek naar bestuurlijk handelen. De advocaat van SIO heeft in antwoord daarop bij brief van 18 november 2025 diverse bezwaren geuit tegen het voorgenomen onderzoek en hij heeft de Inspectie verzocht van dit onderzoek af te zien. De Inspectie heeft te kennen gegeven dat niet te zullen doen en zij heeft gemotiveerd waarom de bezwaren van SIO naar het oordeel van de Inspectie geen standhouden. Verdere communicatie tussen SIO en de Inspectie heeft niet tot overeenstemming geleid en SIO heeft de Inspectie bericht de legitimiteit van het onderzoek aan de voorzieningenrechter voor te zullen leggen.

3.Het geschil

3.1.
SIO vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te verbieden het aangekondigde onderzoek naar het bestuurlijk handelen van SIO doorgang te laten vinden, met dien verstande dat dit bestuurlijk handelen uiteraard wel meegenomen kan worden in de al aangekondigde nieuwe herstelonderzoeken, met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.
3.2.
Daartoe voert SIO – samengevat – het volgende aan.
3.2.1.
Het aangekondigde onderzoek naar het bestuurlijk handelen van SIO is onrechtmatig en vormt misbruik van bevoegdheid. Het heeft geen rechtmatige juridische en feitelijke grondslag. Het is in strijd met artikel 23 Grondwet Pro, artikel 4 van Pro de Wot, artikel 2 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, artikel 14 en Pro 16 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 5:13 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb).
3.2.2.
Het voorgenomen onderzoek naar bestuurlijk handelen is een onderzoek naar de bekende weg. SIO houdt één school in stand, namelijk het CHL. De (vele) onderzoeken die de Inspectie bij het CHL heeft gedaan omvatten daarmee ook onderzoek naar het bevoegd gezag van SIO. Alle contact van de Inspectie in het kader van de onderzoeken bij het CHL is namelijk met het bestuur van SIO. De bevindingen van de onderzoeken worden ook steeds voorgelegd aan het bestuur van SIO, waarop het bestuur dan inbreng levert. Daarmee kent de Inspectie alle relevante feiten al door eerdere onderzoeken naar het CHL. Het onderzoek van de Inspectie naar het “bestuurlijk handelen” van het bestuur van SIO kan daarmee niet anders aangemerkt worden dan als “harrassment”. De Inspectie maakt misbruik van bevoegdheid omdat het onderzoek geen rechtmatig doel dient.
3.2.3.
Deelvraag 1 die ertoe strekt te onderzoeken of het bestuur van SIO aan de wettelijke eisen voor goed bestuur en intern toezicht voldoet, is in strijd met de vrijheid van onderwijs. In de statuten van SIO ligt namelijk al vast dat het bestuur voldoet aan die wettelijke eisen. Dat heeft de Inspectie ook al eerder vastgesteld, na een statutenwijziging op 25 november 2022. Verder dan dat mag de Inspectie niet gaan. Het is niet aan de Inspectie om te bepalen hoe een school wordt bestuurd en de Inspectie mag niet op de stoel van het schoolbestuur gaan zitten.
3.2.4.
Deelvragen 2 en 3 hebben betrekking op al door de Inspectie al uitgebreid onderzochte onderwerpen en het is de Inspectie bekend hoe het bestuur hieraan werkt. Een nieuw onderzoek kan daarover geen nieuwe inzichten opleveren. Deze deelvragen zijn een onderzoek naar de bekende weg en daarmee is uitvoeren van het voorgenomen onderzoek naar deze vragen misbruik van bevoegdheid.
3.2.5.
Deelvraag 4 kan ook geen rechtvaardiging zijn voor het voorgenomen onderzoek. De Inspectie betrekt bij de kwaliteit van het onderwijs en de verantwoordelijkheid van het bestuur van SIO voor die kwaliteit ineens of het bestuur zorgt voor een goed functionerende medezeggenschap. Dat is niet eerder aan de orde gesteld en de relatie met onderwijs is onduidelijk.
3.2.6.
Om dit onderzoek naar de bekende weg uit te voeren wil de Inspectie gesprekken voeren met vele betrokkenen bij het CHL wat een onnodige belasting oplevert van de bij de school betrokkenen die onder artikel 5:13 Awb Pro niet te rechtvaardigen is.
3.2.7.
Tenslotte is een extra onderzoek naar bestuurlijk handelen van SIO onnodig omdat de Inspectie in de rapporten op basis van de komende herstelonderzoeken ook een oordeel over het bestuurlijk handelen van SIO kan geven.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De aankondiging van het onderzoek naar het bestuurlijk handelen van SIO door de Inspectie is niet een op rechtsgevolg besluit in de zin van de Awb. De civiele voorzieningenrechter is daarom als restrechter bevoegd over het door SIO gevorderde verbod te oordelen.
4.2.
Bij de beoordeling van de vraag of er aanleiding bestaat de Inspectie te verbieden onderzoek te verrichten naar het bestuurlijk handelen van SIO stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Toezicht door de Inspectie vindt zijn grondslag in de Grondwet. Artikel 23 lid 2 Grondwet Pro bepaalt dat het geven van onderwijs vrij is, behoudens het toezicht van de Inspectie. Op grond van de Wot heeft de Inspectie onder meer tot taak de kwaliteit van het onderwijs van een school te beoordelen. Verder heeft de Inspectie op grond van artikel 15 Wot Pro de bevoegdheid tot het instellen van een incidenteel onderzoek. Het voorgenomen onderzoek naar bestuurlijk handelen is een dergelijk incidenteel onderzoek. Uitgangspunt is dan ook dat er in beginsel een wettelijke grondslag bestaat voor het door de Inspectie aangekondigde onderzoek naar bestuurlijk handelen.
4.3.
De voorzieningenrechter neemt bij de beoordeling van de vordering van SIO verder tot uitgangspunt dat de Inspectie, als orgaan van de Staat, een grote mate van (beleids-)vrijheid heeft bij haar beslissing tot het instellen van een incidenteel onderzoek. Dit brengt met zich dat de voorzieningenrechter zich terughoudend moet opstellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de Inspectie. Voor ingrijpen van de voorzieningenrechter in de vorm van een verbod om een onderzoek naar bestuurlijk handelen bij SIO uit te voeren kan slechts plaats zijn als de Inspectie in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het besluit dat onderzoek uit te voeren. Dat de Inspectie daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen komen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter door SIO niet aannemelijk gemaakt. Hierna zal worden uitgelegd waarom het door SIO gevorderde verbod zal worden afgewezen.
4.4.
De Staat heeft voor de aanleiding van het onderzoek verwezen naar het Onderzoeksplan. Daarin is gemotiveerd beschreven dat het langdurig tekortschieten van het bestuur om zorg te dragen voor de onderwijskwaliteit van het CHL de aanleiding voor het onderzoek vormt. Daarbij wordt ook vermeld dat de sturing van het bestuur er in de afgelopen jaren niet toe heeft geleid dat de onderwijskwaliteit is verbeterd, terwijl de zorg daarvoor primair de verantwoordelijkheid is van een schoolbestuur. Het Onderzoeksplan vermeldt verder dat het CHL al sinds 2022 onder geïntensiveerd toezicht staat. Vanaf 2022 zijn de drie schoolafdelingen van het CHL meermaals als ‘zeer zwak’ of ‘onvoldoende’ beoordeeld. Ondanks opgestelde verbeterplannen heeft de Inspectie in de recente rapporten van 10 juli 2025, de afdelingen mavo en havo van het CHL nog steeds als ‘zeer zwak’ beoordeeld en de afdeling vwo als ‘onvoldoende’. Op een aantal wettelijke vereisten schiet het bestuur langdurig tekort, en vaak heeft de Inspectie bij herhaling tekortkomingen geconstateerd. Het gaat daarbij op alle drie de schoolsoorten om tekortkomingen op het gebied van de begeleiding van leerlingen, het bestrijden van (taal)achterstanden, afstemming van de lessen op de leerbehoeften van de leerlingen, niet voldoen aan de wettelijke onderwijstijd door veelvuldige lesuitval, het ontbreken van toetsbare doelen als onderdeel van de kwaliteitszorg, het realiseren van de doelen voor goed onderwijs, onbevoegd of onderbevoegde docenten voor een bovenmatig deel van de lessen en tekortschietende evaluatie van de doelen voor goed onderwijs. Verder heerst op de lessen op de mavo geen passend leerklimaat en schieten de leerresultaten op mavo en havo ernstig en langdurig tekort.
4.5.
SIO heeft niet betwist dat sprake is van de in het Onderzoeksplan weergegeven langdurige en ernstige tekortkomingen in de onderwijskwaliteit en evenmin dat het schoolbestuur er al jarenlang niet is slaagt om het tij te keren en daarmee de onderwijswet na te leven. Tegen die achtergrond is het naar voorshands oordeel begrijpelijk en redelijk dat de Inspectie, gelet op haar taak als toezichthouder, het noodzakelijk acht om te onderzoeken welke rol het bestuur speelt in deze situatie. SIO wordt dan ook niet gevolgd in haar standpunt dat er feitelijk geen grond is voor het voorgenomen onderzoek naar bestuurlijk handelen.
4.6.
De voorzieningenrechter deelt ook de visie van de Staat dat de in het Onderzoeksplan opgenomen onderzoeksvragen duidelijk maken dat de Inspectie zich zal richten op de inrichting van het bestuur van SIO en de mate waarin het bestuur stuurt op onderwijskwaliteit, en dat zij daarmee blijft binnen de grenzen van haar wettelijke taak als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a Wot. De voorzieningenrechter gaat niet mee in het standpunt van SIO dat het zou gaan om een onderzoek naar de bekende weg. De Staat heeft er in dat verband terecht op gewezen dat de centrale vraag en de deelvragen opgenomen in het Onderzoeksplan impliceren dat dit onderzoek niet gaat om een beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs op mavo, havo of vwo, wat onderwerp van de diverse andere onderzoeken is geweest waarnaar SIO heeft verwezen, maar zich toespitst op het handelen van het bestuur. Dat dat handelen centraal heeft gestaan in eerdere, recente, onderzoeken, heeft SIO onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Dat de Inspectie de afgelopen jaren alle contacten over de onderwijskwaliteit met het bestuur heeft gehad, wil nog niet zeggen dat de Inspectie zich een volledig beeld over het bestuurlijk handelen heeft kunnen vormen. Dat het bestuurlijk handelen van SIO eerder in 2021 al eens onderwerp van onderzoek is geweest, waar SIO ook nog op heeft gewezen, vormt gelet op de sindsdien herhaaldelijk vastgestelde onvoldoende leerresultaten en ernstige tekortkomingen in het onderwijsproces vanaf 2022 evenmin reden om van een nieuw onderzoek af te zien. Verder is de voorzieningenrechter het met de Staat eens dat het uit een oogpunt van zorgvuldigheid ongewenst is om, zoals SIO kennelijk voorstelt, de vragen over het bestuurlijk handelen te stellen in andere lopende kwaliteitsonderzoeken in plaats van in een afzonderlijk onderzoek. De voorzieningenrechter verwerpt dan ook het standpunt van SIO dat de Inspectie een minder ingrijpend middel ten dienste staat om het bestuurlijk handelen te onderzoeken.
4.7.
Bij die stand van zaken heeft de Inspectie in redelijkheid kunnen komen tot het besluit het onderzoek uit te voeren en is er geen sprake van misbruik van bevoegdheid.
4.8.
Ook de verdere bezwaren van SIO tegen de deelvragen treffen geen doel. Dat de Inspectie de vrijheid van onderwijs niet zou respecteren en daarmee handelt in strijd met verschillende wettelijke bepalingen en verdragen, zoals SIO stelt, is door de Inspectie gemotiveerd weersproken en valt in redelijkheid ook niet af te leiden uit de bewoordingen van deelvraag 1 of enig ander onderdeel van het Onderzoeksplan. SIO miskent dat er een verschil bestaat tussen de (formele) vastlegging van wettelijke eisen en de daadwerkelijke uitwerking en invulling daarvan door het bestuur. De daadwerkelijke naleving van deze voorschriften moet immers uit de praktijk blijken en vindt niet op papier plaats. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het onderzoek van de Inspectie hierop is toegesneden. Dat deelvraag 4 van het onderzoek (
Zorgt het bestuur voor een goed functionerende medezeggenschap overeenkomstig de Wet medezeggenschap op scholen en de daarop aanvullende bepalingen in de WVO 2020?) ‘merkwaardig’ zou zijn omdat de zorg voor een goed functionerende medezeggenschap geen relatie met de kwaliteit van onderwijs zou hebben, wordt eveneens niet gevolgd. De Inspectie heeft gemotiveerd toegelicht dat een medezeggenschapsraad naar vermogen openheid en onderling overleg in de school bevordert, dat dit ook onderwijskundig beleid betreft en daarmee ook verbetering van de onderwijskwaliteit. Ook ten aanzien van deze deelvraag geldt dat het niet onbegrijpelijk en naar voorshands oordeel niet onredelijk is dat de Inspectie deze in het onderzoeksvoorstel heeft opgenomen, ook indien de Inspectie geen aanwijzing heeft dat de medezeggenschap niet functioneert.
4.9.
De Inspectie heeft een groot aantal documenten opgevraagd bij SIO ter voorbereiding van het onderzoek. SIO stelt dat dit voor haar een onredelijke belasting in het licht van artikel 5:13 Awb Pro vormt, maar in dat standpunt wordt zij niet gevolgd. De Inspectie heeft immers toegelicht dat documenten waarover zij al beschikt uit hoofde van eerdere onderzoeken, niet nogmaals toegestuurd hoeven worden. SIO kan daar naar verwijzen.
4.10.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het door de Inspectie aangekondigde onderzoek niet onrechtmatig is en dat de Inspectie met het besluit dit onderzoek uit te voeren geen misbruik van bevoegdheid maakt.. Dat het onderzoek bestuurlijk handelen naast ook weer een herstelonderzoek voor het vwo weer veel tijd van het bestuur en medewerkers van het CHL zal vragen, kan gelet op het zwaarder wegende belang van verbetering van de onderwijskwaliteit op het CHL niet aan de Inspectie worden tegengeworpen.
Het door SIO gevorderde verbod zal dan ook worden afgewezen.
4.11.
SIO is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00
Totaal € 1.999,00
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt SIO in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en veroordeelt SIO in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
ddg