ECLI:NL:RBDHA:2026:1362

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
NL25.39848
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Kwalificatierichtlijn 2011/95/EUArt. 3 EVRMArt. 16 ProcedurerichtlijnArt. 3.113 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Syriër wegens onvoldoende bewijs vluchtelingschap en dienstplichtvrees

Eiser, een Syriër, diende meerdere asielaanvragen in Nederland in, die werden afgewezen. Hij vreesde terugkeer vanwege de militaire dienstplicht en het risico op willekeurig geweld door gewapende groeperingen. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, mede vanwege inconsistenties in de identiteitspapieren en onvoldoende bewijs van individuele bedreiging.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht volstond met het bieden van een mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze en dat nader horen niet noodzakelijk was ondanks de regimewijziging in Syrië. De vrees voor militaire dienstplicht werd niet als gegrond erkend, omdat de rekruteringscampagne onder Arabieren minder strikt wordt toegepast en eiser niet als gewetensbezwaarde werd aangemerkt.

Ook het beroep op artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, dat subsidiaire bescherming kan rechtvaardigen bij ernstige en individuele bedreiging door willekeurig geweld, werd verworpen. De rechtbank volgde eerdere jurisprudentie en concludeerde dat de situatie in Syrië geen hoog niveau van willekeurig geweld vertoont dat bescherming rechtvaardigt.

De aanvraag werd als kennelijk ongegrond afgewezen vanwege inconsistenties in de verklaringen over identiteitsdocumenten. Daarnaast was er een terugkeerbesluit met inreisverbod van kracht. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39848

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. L. Drenth).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Proces- en zaaksverloop

2. Eiser heeft op 8 oktober 2015 voor de eerste keer een asielaanvraag ingediend. Op 2 december 2015 heeft een aanmeldgehoor plaatsgevonden. Op 23 april 2016 heeft een gecombineerd eerste en nader gehoor plaatsgevonden.
2.1. Op 12 oktober 2016 is eiser met onbekende bestemming vertrokken. Bij brief van 27 april 2017 heeft zijn toenmalige gemachtigde bericht te hebben vernomen dat eiser een meisje achterna is gereisd naar Griekenland. De minister heeft met het besluit van 4 mei 2017 de aanvraag buiten behandeling gesteld.
2.2.
Op 3 maart 2023 hebben de Slowaakse autoriteiten een Dublin-claim ingediend. Hierbij is vermeld dat eiser tot februari 2023 heeft gewerkt en gewoond in Griekenland en dat hij heeft besloten terug te keren naar Nederland. Nederland heeft op 10 maart 2023 deze Dublin-claim geaccepteerd. Op 9 mei 2023 heeft eiser nogmaals een asielaanvraag ingediend in Nederland. Op 8 april 2024 is eiser opnieuw gehoord. Op 30 juli 2024 is eiser aanvullend gehoord en heeft hij verklaard in Turkije te hebben verbleven.
2.3.
Op 2 april 2025 is een voornemen genomen om de aanvraag buiten behandeling te stellen omdat eiser vanaf 28 maart 2025 opnieuw met onbekende bestemming was vertrokken.
2.4.
Op 8 april 2025 heeft eiser zich weer gemeld. Op 15 juli 2025 is een nieuw voornemen uitgebracht. Op 12 augustus 2025 is een zienswijze uitgebracht. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 augustus 2025 de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. L.J. Meijering namens de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en behoort tot de Arabieren. In Syrië heeft hij geen problemen ondervonden, maar bij terugkeer vreest hij voor gewapende groeperingen en de militaire dienstplicht.
Het bestreden besluit
4. De minister stelt zich op het standpunt dat het feit dat eiser uit Syrië komt op zichzelf niet genoeg is om als vluchteling te worden aangemerkt. De vrees van eiser voor de dienstplicht voldoet niet aan het in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) neergelegde beleid, zodat er ook op dat punt geen sprake is van vluchtelingschap. Ook zijn de identiteit, nationaliteit en herkomst niet genoeg om een risico op ernstige schade bij terugkeer aan te nemen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij heeft te vrezen voor gewapende groeperingen. De algemene situatie in Syrië is zodanig dat er een relatief laag niveau van willekeurig geweld is. Niet is gebleken dat er individuele omstandigheden zijn waardoor eiser een verhoogd risico loopt bij terugkeer. Eiser heeft waarschijnlijk identiteitsdocumenten weggemaakt of vernietigd en kennelijk inconsequent en vals verklaard. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
Horen
5. Met betrekking tot de stelling van eiser dat uit de Procedurerichtlijn volgt dat hij nader gehoord had moeten worden nu het regime in Syrië is gewijzigd overweegt de rechtbank als volgt.
5.1.
Op grond van artikel 16 van Pro de Procedurerichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, wordt eiser in de gelegenheid gesteld om zo volledig mogelijk de tot de staving van zijn aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren. Dit houdt onder meer in dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om tijdens het nader gehoor uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. Dit is blijkens het verslag van het nader gehoor op
8 april 2024 ook gebeurd.
5.2.
Op 15 juli 2025 is een voornemen genomen aan de hand van deze verklaringen. Op dat moment was het regime al gewijzigd. Dat het regime is gewijzigd maakt niet dat de verklaringen van eiser daarmee veranderen. In beginsel kan de minister uit gaan van het gegeven relaas. In het geval er door de regimewijziging onderwerpen onderbelicht zijn gebleven in het gehoor had het op de weg van eiser gelegen om dit in de zienswijze aan te geven. De minister heeft kunnen volstaan met het bieden van een mogelijkheid om een zienswijze over het voornemen in te dienen. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Militaire dienstplicht
6. De rechtbank overweegt ten aanzien van de stelling van eiser dat de minister zijn vrees voor rekrutering bagatelliseert als volgt.
6.1.
In het bestreden besluit is getoetst aan het hiervoor genoemde, in paragraaf C2/3.2.7 van de Vc neergelegde, beleid, waarin het volgende is vermeld:
“Als de vreemdeling stelt te vrezen te hebben voor vervolging wegens dienstweigering of desertie toetst de IND eerst of de vreemdeling dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd omdat hij vreesde anders te moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven (…). Pas als daarvan geen sprake is, toetst de IND of dienstweigering of desertie leidt tot onevenredige of discriminatoire bestraffing dan wel of deze voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienst of andere diepgewortelde overtuiging. Het feit dat die vreemdeling weigert zijn militaire dienst te vervullen of is gedeserteerd en in verband hiermee bestraft wordt met een gevangenisstraf of ontslag uit het leger, is voor de IND op zichzelf onvoldoende om als daad van vervolging aan te merken.”
6.2.
Eiser heeft tijdens het nader gehoor van 8 april 2024 naar voren gebracht dat hij niet in een leger wil dienen waar president Assad de leider van is. Hij heeft verder verklaard wel bereid te zijn om militaire dienst te ondergaan, alleen niet onder Assad (blz. 14).
6.3.
Het ambtsbericht inzake Syrië van mei 2025 beschrijft de situatie in Syrië vanaf de start van het grootschalig grondoffensief van HTS en gelieerde groepen op 27 november 2024, dat leidde tot het vertrek van Assad uit Syrië op 8 december 2024. In het ambtsbericht is verder het volgende vermeld:
“Afgezien van het feit dat de dienstplicht in het controlegebied van de overgangsregering was opgeheven, was er in de verslagperiode nog niet veel bekend over de regels en procedures rondom rekrutering voor het leger (…). Volgens president Al-Sharaa en minister van Defensie Abu Qasra waren er voldoende vrijwilligers voor het leger (blz. 33). (…) Volgens een bron waren er in het DAANES-gebied geen ontwikkelingen op het gebied van de militaire dienstplicht (blz. 36).”
6.4.
In het algemeen ambtsbericht inzake Syrië van december 2024 is over dienstplicht in het DAANES-gebied het volgende vermeld:
“In het DAANES-gebied moesten mannen vanaf achttien jaar voor een jaar in dienst. (…) In de praktijk pasten de autoriteiten de rekruteringscampagne in gebieden met een overwegend Arabische bevolking en onder christenen minder strikt toe. Verder duurde de dienstplicht volgens de wet twaalf maanden. (…) Dienstplichtontduikers die in het DAANES-gebied bij een controlepost werden aangehouden, werden alsnog gerekruteerd. Daarbij kon hun diensttijd bij wijze van strafmaatregel met een maand verlengd worden. De wet voorzag niet in een aparte bestraffing voor dienstweigering en desertie (blz. 108-110).”
6.5. Eiser heeft in beroep verwezen naar door Vluchtelingenwerk verzamelde landeninformatie van 4 augustus 2025 (over rekrutering en dienstweigering in SDF-gebied). Daarbij is op blz. 10 onder meer informatie opgenomen van de European Union Agency for Asylum (EUAA) van juni 2025, waarin is onderstreept dat
“the risk of forced recruitment as such may not generally imply a nexus to a reason for persecution.”.
6.6.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het onzeker is of eiser als Arabier daadwerkelijk de dienstplicht zal moeten vervullen, aangezien de rekruteringscampagne onder Arabieren minder strikt wordt toegepast. Zelfs in het geval eiser wel de dienstplicht zou moeten vervullen, is het volgens de minister onbekend of hij überhaupt gevechtshandelingen zou moeten verrichten. De minister acht het op dit moment niet aannemelijk dat eiser als dienstplichtige handelingen zal moeten verrichten die oorlogsmisdrijven (of andere misdrijven die onder artikel 1F vallen) vormen. Evenmin is het aannemelijk geacht dat eiser disproportioneel of discriminatoir bestraft zal worden op grond van dienstweigering of desertie. Ten derde wordt eiser niet aangemerkt als gewetensbezwaarde. Daarbij is er op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij zichzelf niet ziet werken voor het leger, omdat Assad de leider van het leger was.
6.7.
Gelet op voornoemde ontwikkelingen speelt het onder 6.2. aangehaalde asielmotief niet meer. Eiser heeft in de zienswijze van 12 augustus 2025 kunnen reageren op de ontwikkelingen. Daarbij noemt eiser de twaalf maanden dienstplicht in het DAANES-gebied te vrezen. Dit staat dan weer haaks op wat hij op 8 april 2024 heeft verklaard, namelijk dat hij wel bereid is om militaire dienst te ondergaan, alleen niet onder Assad. De minister heeft in het bestreden besluit uiteengezet waarom eiser niet valt aan te merken als gewetensbezwaarde en het gestelde ook anderszins niet leidt tot inwilliging van de aanvraag. De rechtbank ziet in de thans door eiser gegeven onderbouwing, gelet ook op voornoemde landeninformatie, onvoldoende grond om het besluit op dit punt te vernietigen.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
7. Met betrekking tot het beroep op artikel 15c van Richtlijn 2011/95/EU overweegt de rechtbank als volgt.
7.1.
Artikel 15 kent Pro drie soorten “ernstige schade” die kunnen rechtvaardigen dat subsidiaire bescherming wordt toegekend aan de persoon die een reëel risico op deze schade loopt indien hij wordt teruggezonden naar zijn land van herkomst:
a) de doodstraf of executie; of
b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst [1] ; of
c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
7.2.
Het Hof van Justitie heeft benadrukt dat, ofschoon elk soort ernstige schade een autonome grond voor erkenning van de subsidiaire bescherming vormt, waarvan de voorwaarden ten volle moeten zijn vervuld om deze bescherming te verlenen, dit artikel geen hiërarchische volgorde aanbrengt tussen deze verschillende soorten ernstige schade en geen enkele volgorde oplegt bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op een van die soorten ernstige schade. Ten eerste kan uit een en hetzelfde verzoek om internationale bescherming namelijk blijken dat er een risico bestaat dat de verzoeker bij terugkeer naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef aan verschillende soorten ernstige schade wordt blootgesteld. Ten tweede kan een en hetzelfde element worden gebruikt om te staven dat er sprake is van een reëel risico om meerdere van deze soorten ernstige schade te ondergaan. [2]
7.3.
Eiser heeft betoogd dat alle voorwaarden met betrekking tot 15c zijn vervuld. Het gaat daarbij om de volgende voorwaarden:
  • een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger;
  • als gevolg van willekeurig geweld;
  • in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
7.4.
De minister heeft gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466. Eiser heeft gewezen op andere uitspraken.
7.5.
In de Country Guidance van de EUAA van 2 december 2025 [3] is op blz. 84 onder meer het volgende vermeld:
“Given the impact of the March 2025 agreement on the security situation reflected in the low number of civilian fatalities in comparison with the number prior to the said agreement, the pattern of violence that appears to be mostly targeted, the decline of the number of security incidents after a peak in January and February 2025, and the number of returnees, it can be concluded that indiscriminate violence takes place in the governorate of Raqqa, however not at a high level.”
7.6.
De rechtbank ziet in het gevoerde betoog, waaronder de door eiser ingebrachte landeninformatie en gestelde individuele en persoonlijke omstandigheden, geen aanleiding anders te oordelen over 15c dan is gedaan in de uitspraak van deze zittingsplaats van
9 december 2025 en het bestreden besluit te vernietigen. In het ter zitting gedane beroep op artikel 3 van Pro het EVRM ziet de rechtbank, gelet op de daarbij gegeven onderbouwing, evenmin aanleiding het besluit te vernietigen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kennelijk ongegrond
8. De aanvraag is kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid aanhef en onder d en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
8.1.
Niet in geschil is dat eiser inconsistente verklaringen heeft afgelegd over (identificerende) documenten. De minister heeft er in dit kader op gewezen dat eiser zowel heeft verklaard zijn paspoort te hebben achtergelaten in Syrië (2016) als zijn paspoort te zijn kwijtgeraakt in Servië (2023) als nooit in het bezit te zijn geweest van een paspoort (2024).
8.2.
Reeds gelet hierop heeft de minister de aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen.
8.3.
De rechtbank ziet in hetgeen in beroep naar voren is gebracht over het gewijzigde beleid geen grond hierover anders te oordelen.
9. Er was al een terugkeerbesluit opgelegd op 4 mei 2017. Daarin staat dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Er is dan ook terecht op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw een inreisverbod opgelegd.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hof van Justitie 17 februari 2009, C-465/07, § 28: Het in artikel 3 EVRM Pro verankerde grondrecht maakt deel uit van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht waarvan het Hof de naleving waarborgt. Bovendien wordt bij de uitlegging van de draagwijdte van dit recht in de communautaire rechtsorde rekening gehouden met de rechtspraak van het EHRM. Het is echter artikel 15, sub b, van de richtlijn dat in wezen overeenstemt met voormeld artikel 3. Artikel 15, sub c, van de richtlijn is daarentegen een bepaling waarvan de inhoud verschilt van die van artikel 3 EVRM Pro en waarvan de uitlegging dan ook autonoom moet geschieden, maar met eerbiediging van de grondrechten zoals deze door het EVRM worden gewaarborgd.
2.Hof van Justitie 9 november 2023, C-125/22, § 44
3.Zoals aangehaald in de door eiser genoemde uitspraak van 29 december 2025, zie b.v. noot 34.