ECLI:NL:RBDHA:2026:13692

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL26.27245
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet met betrekking tot overdracht onder Dublinverordening

De minister van Asiel en Migratie legde op 5 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde op 14 mei 2026 beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 22 mei 2026 via telehoren.

De minister motiveerde de bewaring met zware gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en onvoldoende medewerking aan identiteitsvaststelling, en lichte gronden zoals het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank constateerde dat eiser deze gronden niet betwistte en dat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor overdracht aan Spanje onder de Dublinverordening, met een geplande overdracht op 26 mei 2026.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring rechtmatig is, dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn, en dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de medische omstandigheden van eiser. Er waren geen persoonlijke belangen die de bewaring onevenredig bezwarend maakten. De rechtbank zag geen reden om aan te nemen dat de overdracht niet zal plaatsvinden en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27245

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 5 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft op 14 mei 2026 tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het Detentiecentrum Rotterdam. Op de rechtbank in Groningen is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
2.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser in het beroepschrift als op de zitting geen beroepsgronden heeft aangevoerd en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 24 april 2026 heeft Spanje namelijk akkoord gegeven op het door Nederland ingediende claimverzoek en staat de overdracht van eiser gepland op 26 mei 2026.
Gronden
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang gezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het significante risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. Zo heeft de minister eiser erop gewezen in de maatregel dat zijn klachten worden doorgegeven aan de arrestantenwacht en dat voor hem een arts zal worden geraadpleegd. Daarnaast wordt gewezen op de medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum en dat, als deze zorg niet voldoende kan worden geboden, eiser kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. De minister heeft op 11 mei 2026 een overdrachtsbesluit uitgevaardigd en op 15 mei 2026 is de overdracht aan Spanje aangekondigd. De geplande vlucht voor overdracht staat gepland op 26 mei 2026. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze overdracht geen doorgang zal vinden.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [3]
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).