Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Adrar [4] van het Hof van Justitie [5] , ambtshalve gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat het beginsel van non-refoulement, dan wel het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, zich verzetten tegen de uitvoering van het terugkeerbesluit, dan wel dat deze belangen en dit beginsel een nadere beoordeling behoeven.
Adrarin de punten 65 en 66 heeft overwogen, moet de minister de vreemdeling in dat gehoor actief en concreet bevragen, zodat binnen het kader van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan worden beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich tegen uitzetting verzet. Het resultaat van dit onderzoek en van de zorgvuldige voorbereiding moet blijken uit de motivering van het besluit tot bewaring, gelet op het vereiste dat de inbewaringstelling schriftelijk moet worden gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. [8] Alleen dan wordt kenbaar gewaarborgd dat het beginsel van non-refoulement bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn is betrokken, en kan de rechter die motivering betrekken bij zijn beoordeling wanneer hij binnen het kader van zicht op uitzetting ambtshalve toetst of dat beginsel zich tegen de uitzetting van de betrokken vreemdeling verzet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 26 mei 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.440,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.