Eiser, een Jezidi met de Iraakse nationaliteit, diende op 6 april 2023 een asielaanvraag in Nederland in, nadat hij eerder in Griekenland asiel had gekregen. Hij stelt te zijn mishandeld en gediscrimineerd vanwege zijn geloof en afkomst, onder meer door een gewelddadige aanval in 2021 en bedreigingen. Verweerder wees de aanvraag af op 11 november 2025, met als uitgangspunt dat eiser terug zou kunnen keren naar ontheemdenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR), die als zijn normale woon- en verblijfplaats werden aangemerkt.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft toegelicht waarom deze kampen als normale woon- en verblijfplaats zijn aangemerkt en waarom niet is beoordeeld of terugkeer naar de regio Sinjar mogelijk is. Verweerder baseerde zich op een gewijzigd beleid dat sinds 2024 ontheemdenkampen weer als normale woonplaatsen beschouwt, maar de rechtbank stelt vast dat dit beleid niet zorgvuldig is gemotiveerd en dat humanitaire omstandigheden buiten beschouwing zijn gelaten. Het thematisch ambtsbericht van november 2025 beschrijft zelfs een verslechtering van de situatie in de kampen.
Verder moet verweerder in het nieuwe besluit rekening houden met de cumulatieve aard van de discriminatie en mishandelingen die eiser heeft ondervonden, zoals beschreven in het UNHCR-handboek. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens worden de proceskosten van eiser toegewezen.