Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13701

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL25.57090
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 29, eerste lid, onder a, Vw 2000Art. 29, eerste lid, onder b, Vw 2000Art. 31, eerste lid, Vw 2000Richtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering normale woon- en verblijfplaats Jezidi

Eiser, een Jezidi met de Iraakse nationaliteit, diende op 6 april 2023 een asielaanvraag in Nederland in, nadat hij eerder in Griekenland asiel had gekregen. Hij stelt te zijn mishandeld en gediscrimineerd vanwege zijn geloof en afkomst, onder meer door een gewelddadige aanval in 2021 en bedreigingen. Verweerder wees de aanvraag af op 11 november 2025, met als uitgangspunt dat eiser terug zou kunnen keren naar ontheemdenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR), die als zijn normale woon- en verblijfplaats werden aangemerkt.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft toegelicht waarom deze kampen als normale woon- en verblijfplaats zijn aangemerkt en waarom niet is beoordeeld of terugkeer naar de regio Sinjar mogelijk is. Verweerder baseerde zich op een gewijzigd beleid dat sinds 2024 ontheemdenkampen weer als normale woonplaatsen beschouwt, maar de rechtbank stelt vast dat dit beleid niet zorgvuldig is gemotiveerd en dat humanitaire omstandigheden buiten beschouwing zijn gelaten. Het thematisch ambtsbericht van november 2025 beschrijft zelfs een verslechtering van de situatie in de kampen.

Verder moet verweerder in het nieuwe besluit rekening houden met de cumulatieve aard van de discriminatie en mishandelingen die eiser heeft ondervonden, zoals beschreven in het UNHCR-handboek. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens worden de proceskosten van eiser toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57090

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer 1], eiser,mede namens zijn minderjarige zoon:[minderjarige], [V-nummer 2],

(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

([gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. [1] Eiser heeft op 6 april 2023 zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 11 november 2025 afgewezen als ongegrond. [2]
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, eisers minderjarige zoon, de gemachtigde van eiser, T. Ahmad als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1991 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Hij heeft eerder een asielaanvraag in Griekenland ingediend. Deze aanvraag is ingewilligd, maar eiser is doorgereisd naar Nederland en heeft ook hier, mede namens zijn zoontje, een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verklaard dat hij als Jezidi wordt gediscrimineerd en geïntimideerd in Irak. Hij is onder meer in 2021 door een groep mannen mishandeld toen hij aan het werk was, omdat hij producten verkocht die haram [3] zouden zijn [4] . Zo zouden de mannen hem hebben verwond met gloeiende kooltjes van een waterpijp. Later zou eiser ook nog een dreigbrief hebben ontvangen en zouden er, toen eiser Irak al had verlaten, ’s nachts stenen zijn gegooid naar de tent van eisers gezin.
2.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. Verweerder vindt het geloofwaardig dat eiser is gediscrimineerd omdat hij Jezidi is en dat hij is mishandeld. Verweerder vindt dit echter onvoldoende zwaarwegend om een asielvergunning te verlenen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft [5] of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade [6] . Verweerder heeft bij de beoordeling als uitgangspunt genomen dat [plaats 1] en [plaats 2] in de KAR kunnen worden aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats voor eiser en dat hij terug zou moeten gaan naar een van die plekken bij een eventuele terugkeer. Eiser heeft namelijk de acht jaar vóór zijn vertrek uit Irak in de tentenkampen [naam kamp 1] en [naam kamp 2] (in de regio’s [plaats 1] en [plaats 2]) verbleven.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser heeft meerdere redenen aangevoerd waarom hij het oneens is met het bestreden besluit. In het kader van de leesbaarheid van deze uitspraak zal de rechtbank onder het volgende kopje pas specifieker ingaan op het standpunt van eiser.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Normale woon- en verblijfplaats
4. Het eerste onderwerp waar partijen het over oneens zijn, gaat over het begrip normale woon- en verblijfplaats. In de zaak van eiser [plaats 1] en [plaats 2] als normale woon- en verblijfplaats aangemerkt door verweerder. Verweerder heeft dus getoetst of eiser bij terugkeer naar die plekken een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser is het niet eens met deze beoordeling. Volgens hem mag verweerder [plaats 1] en [plaats 2] niet als normale woon- en verblijfplaats aanmerken en moet verweerder toetsen of eiser terug kan keren naar zijn herkomstregio Sinjar.
4.1.
De rechtbank zal zich eerst op dit geschilpunt tussen partijen richten. Daarbij kijkt de rechtbank naar de volgende twee vragen:
Hoe bepaalt verweerder of een plaats als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt?
Wat heeft ertoe geleid dat de ontheemdenkampen in de KAR voorheen niet als normale woon- en verblijfplaats werden aangemerkt en nu wel?
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat het begrip “normale woon- en verblijfplaats” niet als zodanig voorkomt in het Vluchtelingenverdrag, de Kwalificatierichtlijn [7] of de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Wel heeft de hoogste bestuursrechter [8] uitleg gegeven over het begrip. Zo heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld dat voor het bepalen van de normale woon- en verblijfplaats van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden een vreemdeling op een bepaalde plaats heeft verbleven. Hierbij komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de omstandigheid dat een vreemdeling is gevlucht naar een bepaalde plaats. [9]
4.3.
De hoogste bestuursrechter heeft op 17 maart 2026 een zitting gehouden met vergelijkbare zaken. Verweerder heeft in deze zaak van eiser bij het verweerschrift het hoger beroepschrift bijgevoegd van die zaken bij de hoogste bestuursrechter. Uit dat hoger beroepschrift blijkt dat verweerder een plaats als normale woon- en verblijfplaats aanmerkt als dat een plek is waar iemand enige tijd heeft verbleven en waar de problemen in verband waarmee de vreemdeling eerder was vertrokken, zijn beëindigd. Volgens verweerder is niet relevant waarom een vreemdeling zich op de betreffende plaats heeft gevestigd.
In het bijgevoegde hoger beroepschrift gaat verweerder ook specifiek in op de situatie van Jezidi’s in Irak. Het gebruikelijke beleid was om de KAR als normale woon- of verblijfplaats aan te merken als een vreemdeling langdurig verblijf heeft gehad in een ontheemdenkamp ‘waar iemand een ‘naar lokale maatstaven normaal leven’ leidde’. Verweerder heeft dit beleid in de periode 2019-2024 tijdelijk niet gevoerd voor Jezidi’s die van buiten de KAR naar de ontheemdenkampen in de KAR zijn gevlucht. Aanleiding hiervoor was een motie uit de Tweede Kamer en het feit dat deze Jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hadden. In die periode merkte verweerder de ontheemdenkampen dus niet aan als normale woon- en verblijfplaats. Dit was tijdelijk en begunstigend beleid volgens verweerder. In 2024 is het beleid afgeschaft en sindsdien toetst verweerder dus weer of een ontheemdenkamp in de KAR als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt voor een vreemdeling die daar voor vertrek heeft verbleven. [10]
4.4.
De rechtbank heeft verweerder tijdens de zitting gevraagd welke veranderingen ertoe hebben geleid dat ontheemdenkampen nu wel weer als normale woon- verblijfplaats worden aangemerkt en hoe wordt beoordeeld of iemand een ‘naar lokale maatstaven normaal leven’ heeft geleid. Die beoordeling wordt namelijk gemaakt om te bepalen of een ontheemdenkamp in de KAR als normale woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt.
4.5.
In reactie op deze vragen heeft verweerder tijdens de zitting toegelicht dat ontheemdenkampen weer als normale woon- en verblijfplaats worden aangemerkt, omdat de situatie van Jezidi’s is verbeterd. Zo is onder meer de godsdienst van Jezidi’s in de Iraakse grondwet erkend als officiële godsdienst, zijn er vanuit de overheid initiatieven om Jezidi’s terug te laten keren naar Sinjar en zijn er mogelijkheden tot herstelbetalingen aan IS-slachtoffers.
Verder geldt dat bij het aanmerken als een normale woon- of verblijfplaats alleen maar wordt gekeken naar de plek waar de vreemdeling voor het vertrek heeft verbleven. De humanitaire omstandigheden zijn bij die beoordeling niet relevant volgens verweerder.
4.6.
De rechtbank kan deze uitleg niet volgen. Niet valt namelijk in te zien hoe verweerder een bepaalde plek als normale woon- en verblijfplaats kan aanmerken als humanitaire omstandigheden daarbij in geen enkel opzicht worden betrokken. Zoals verweerder zelf heeft aangegeven, moet worden bekeken of iemand een naar lokale maatstaven normaal leven kan leiden. De rechtbank overweegt dat daarvoor vereist is om eerst vast te stellen hoe een naar lokale maatstaven normaal leven eruit ziet. Vervolgens moet worden bekeken hoe het leven van een vreemdeling in een ontheemdenkamp zich daartoe verhoudt. De rechtbank is van oordeel dat beide beoordelingen niet te maken zijn als humanitaire omstandigheden buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank concludeert dan ook dat de beoordeling of een plek als een normale woon- en verblijfplaats niet zorgvuldig tot stand kan komen als daarbij in het geheel geen rekening wordt gehouden met humanitaire omstandigheden. Dit oordeel leidt al tot de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij [plaats 1] en [plaats 2] als normale woon- en verblijfplaats heeft aangemerkt voor eiser en waarom hij niet heeft beoordeeld of eiser zou kunnen terugkeren naar Sinjar.
4.7.
De rechtbank overweegt aanvullend hierop dat verweerder onvoldoende heeft kunnen uitleggen welke veranderingen ertoe hebben geleid dat de ontheemdenkampen - anders dan voorheen - nu wel weer als normale woon- en verblijfplaats kunnen worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daarbij dat het “Thematisch ambtsbericht Irak – Ontheemdenkampen onder gezag van de Kurdistan Regional Government” (hierna: het thematisch ambtsbericht) van november 2025 eerder een verslechtering van de situatie van Jezidi’s beschrijft dan een verbetering. Het thematisch ambtsbericht beschrijft hoe verschillende (internationale) humanitaire hulporganisaties zich genoodzaakt zagen hulp te verminderen of zelfs te vertrekken vanwege het besluit om de ontheemdenkampen te sluiten en vanwege de bezuinigingen op USAID [11] . Zo vermeldt het thematisch ambtsbericht dat “dit resulteerde in een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen”. [12] Als het gaat om de door verweerder genoemde toegezegde ondersteuning van de autoriteiten bij de terugkeer van Jezidi’s naar hun regio van herkomst overweegt de rechtbank dat uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat er vele problemen zijn bij deze ondersteuning en dat er in september 2025 geen actieve maatregelen waren, gericht op het bevorderen van vertrek. Dat de situatie in de kampen zou zijn verbeterd als gevolg van de toegezegde ondersteuning blijkt dan ook niet. De omstandigheid dat de godsdienst van de Jezidi’s officieel is erkend is niet nieuw. Bovendien is niet gebleken hoe deze wettelijke/juridische omstandigheid het dagelijkse leven van de Jezidi’s in de kampen zou hebben verbeterd naar een naar lokale maatstaven normaal leven.
4.8.
De rechtbank is dus van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom hij voor eiser [plaats 1] en [plaats 2] als normale woon- en verblijfplaats heeft aangemerkt en waarom hij niet heeft beoordeeld of eiser zou kunnen terugkeren naar de regio Sinjar. Omdat de verdere beoordeling van eisers asielrelaas uitgaat van een terugkeer naar [plaats 1] en [plaats 2], kan de rest van het bestreden besluit ook geen stand houden. Verweerder heeft in de besluitvorming en de beroepsprocedure weliswaar een en ander gezegd over de situatie in Sinjar, maar de gemachtigde van verweerder heeft tijdens de zitting expliciet aangegeven dat dit als reactie op eisers argumenten moet worden gezien en niet als een subsidiair standpunt van verweerder over een eventuele terugkeer naar Sinjar. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen en verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen.
4.9.
De rechtbank overweegt daarnaast nog het volgende. Paragraaf 53 en 55 van het Handboek van de UNHCR [13] bevat voor deze zaak relevante aanwijzingen voor de beoordeling van de vrees voor vervolging (53) en discriminatie (55). De betreffende passages luiden als volgt.
53. In addition, an applicant may have been subjected to various measures not in themselves amounting to persecution (e.g. discrimination in different forms), in some cases combined with other adverse factors (e.g. general atmosphere of insecurity in the country of origin). In such situations, the various elements involved may, if taken together, produce an effect on the mind of the applicant that can reasonably justify a claim to wellfounded fear of persecution on “cumulative grounds”. Needless to say, it is not possible to lay down a general rule as to what cumulative reasons can give rise to a valid claim to refugee status. This will necessarily depend on all the circumstances, including the particular geographical, historical and ethnological context.
55. Where measures of discrimination are, in themselves, not of a serious character, they may nevertheless give rise to a reasonable fear of persecution if they produce, in the mind of the person concerned, a feeling of apprehension and insecurity as regards his future existence. Whether or not such measures of discrimination in themselves amount to persecution must be determined in the light of all the circumstances. A claim to fear of persecution will of course be stronger where a person has been the victim of a number of discriminatory measures of this type and where there is thus a cumulative element involved.
4.10.
In het bestreden besluit heeft verweerder alle asielmotieven [14] zonder voorbehoud geloofwaardig geacht. Hieronder vallen met name twee zeer ingrijpende en traumatiserende gebeurtenissen die eiser heeft beschreven. Allereerst gaat het om de genocide die IS in 2014 op de Jezidi’s pleegde. Eiser heeft verklaard dat hij met eigen ogen heeft gezien hoe mannen werden onthoofd en massamoorden werden gepleegd. [15] Eenmaal gevlucht naar de berg Sinjar heeft hij mensen zien sterven van de dorst en honger. [16] Nadat eiser is weggevlucht naar opvangkampen in de KAR is hij in de jaren daarna vanwege zijn Jezidi achtergrond slachtoffer geworden van zware mishandeling. Toen hij met zijn zoontje producten verkocht langs de weg is hij - voor de ogen van zijn zoontje - zwaar toegetakeld, waarbij gloeiende kolen van een waterpijp zijn gebruikt om zijn benen te verwonden. Verweerder moet in het nieuw te nemen besluit ingaan op de vraag of al deze ernstige vormen van discriminerend geweld tegen eiser in het verleden, in samenhang met de voortdurende stigmatisering en discriminatie van Jezidi in Irak tot op heden, gelet op de hiervoor geciteerde aanwijzingen van de UNHCR moeten worden gekwalificeerd als gerechtvaardigde vrees voor vervolging.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag op deze manier geen stand kan houden. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op eisers aanvraag. Daarbij zal verweerder rekening moeten houden met deze uitspraak. De rechtbank draagt verweerder op om dit nieuwe besluit binnen acht weken te nemen.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. De rechtbank kent € 1.868,- toe (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 november 2025;
- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag en daarbij rekening te houden met deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,- moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een aanvraag zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Zondig.
4.Bier en waterpijp.
5.Artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.
6.Artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000.
7.Richtlijn 2011/95/EU.
8.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling)
9.Zie voor het voorgaande de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:357.
10.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 4 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1393.
11.U.S. Agency for International Development.
12.Pagina 11 van het thematisch ambtsbericht.
13.“Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees”.
14.Het gaat om drie asielmotieven: 1) eisers identiteit, nationaliteit en herkomst, 2) de problemen in 2021 met IS en 3) de problemen vanwege het zijn van Jezidi.
15.Pagina 8 van het verslag nader gehoor.
16.Pagina 8 van het verslag nader gehoor.