Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13702

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL25.55552
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 29 Vw 2000Art. 31 Vw 2000Richtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering niet-aanmerken Jezidi’s als risicoprofiel in Irak

Eiser, een Jezidi uit Irak, diende een asielaanvraag in die door verweerder werd afgewezen op grond van het landgebonden asielbeleid waarin Jezidi’s niet worden aangemerkt als risicoprofiel of als groep die systematisch wordt blootgesteld aan ernstige schade.

De rechtbank analyseerde het landenbeleid en de situatie van Jezidi’s in Irak, waarbij werd vastgesteld dat hoewel de situatie zorgelijk blijft met discriminatie, stigmatisatie en slechte leefomstandigheden, dit niet voldoet aan de hoge lat voor groepsvervolging of systematische blootstelling aan ernstige schade.

Echter, de rechtbank vond dat verweerder onvoldoende heeft toegelicht waarom Jezidi’s in de regio Sinjar niet als risicoprofiel worden aangemerkt, terwijl het beleid een lagere bewijslast kent voor risicoprofielen en de situatie van Jezidi’s nog steeds ernstig is.

Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak. Tevens werden de proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het niet-aanmerken van Jezidi’s als risicoprofiel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55552

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Erdal).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. [1] Eiser heeft op 21 mei 2023 zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 november 2025 afgewezen als ongegrond. [2]
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Ahmad als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1986 en dat hij de Iraakse nationaliteit heeft. Hij komt uit het plaatsje [plaats] in de regio [regio] en is van daaruit Irak ontvlucht. [3] Eiser heeft eerder een asielaanvraag in Griekenland ingediend. Deze aanvraag is ingewilligd, maar eiser is doorgereisd naar Nederland en heeft ook hier een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verklaard dat hij voor zijn leven vreest in Irak omdat hij een Jezidi is. Hij heeft verklaard dat Jezidi’s voortdurend te maken hebben met geweld in Irak en dat zij stelselmatig worden gediscrimineerd. Verder zijn er genoeg voorbeelden bekend van vermissingen, ontvoeringen en moorden op Jezidi’s. Eiser vreest bij terugkeer ook voor rekrutering.
2.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser inhoudelijk getoetst en vindt het geloofwaardig dat eiser gediscrimineerd is omdat hij een Jezidi is. Verweerder vindt deze discriminatie echter onvoldoende om aan eiser een asielvergunning te verlenen. Eiser is weliswaar gediscrimineerd, maar niet zodanig dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. In het landgebonden asielbeleid over Irak staat dat voor Jezidi’s geen sprake is van groepsvervolging en zij zijn ook niet aangemerkt als risicoprofiel. Verder is volgens verweerder geen sprake van een reëel risico op ernstige schade [4] . Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor rekrutering. Ook heeft eiser geen individuele omstandigheden naar voren gebracht die maken dat hij, in combinatie met het relatief lage niveau van willekeurig geweld, een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn [5] . Tot slot is de verleende status in Griekenland geen reden voor verweerder om tot inwilliging over te gaan.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser heeft meerdere punten naar voren gebracht waarom hij het oneens is met het bestreden besluit. In het kader van de leesbaarheid van deze uitspraak zal de rechtbank onder het volgende kopje pas specifieker ingaan op de verschillende beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Landgebonden asielbeleid
4. De rechtbank zal allereerst ingaan op de punten die eiser heeft aangevoerd over het landgebonden asielbeleid (hierna: het landenbeleid) dat verweerder toepast voor vreemdelingen uit Irak en de gevolgen die het toepassen van dat beleid meebrengt voor eisers zaak. Om die onderdelen van eisers betoog goed te plaatsen, zal de rechtbank eerst kort de systematiek van het landenbeleid (in het algemeen) uiteenzetten. Daarna gaat de rechtbank in op het landenbeleid dat voor Irak geldt, op de specifieke standpunten van partijen en op het oordeel van de rechtbank over die standpunten.
4.1.
In het landenbeleid heeft verweerder beleidsregels uiteengezet over verschillende landen van herkomst. [6] Voor de zaak van eiser is van belang om stil te staan bij de begrippen groepsvervolging, systematische blootstelling aan ernstige schade, risicogroepen, kwetsbare minderheidsgroepen en risicoprofielen. Dit zijn begrippen die tot voor kort of op dit moment voor komen in het landenbeleid. De rechtbank legt kort uit wat die begrippen precies betekenen en hoe die worden gebruikt door verweerder.
4.2.
Van groepsvervolging en systematische blootstelling aan ernstige schade is sprake als een specifieke groep vreemdelingen in het land van herkomst systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of aan ernstige schade als bedoeld in de Kwalificatierichtlijn [7] . Als een vreemdeling aannemelijk maakt dat hij tot een dergelijke groep behoort, leidt dat in beginsel tot het verlenen van de vluchtelingenstatus [8] (bij groepsvervolging) of de subsidiaire beschermingsstatus [9] (bij systematische blootstelling aan ernstige schade). Er geldt dus een lagere bewijslast voor deze vreemdelingen.
4.3.
Tot in 2024 kwamen de begrippen risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen voor in het landenbeleid. Risicogroepen werden in het landenbeleid aangewezen op basis van een groepskenmerk dat te relateren was aan een van de vervolgingsgronden uit het Vluchtelingenverdrag. [10] Van een kwetsbare minderheidsgroep was sprake als er bij een dergelijke groep een indicatie bestond dat die een verhoogd risico liep op ernstige schade. Het behoren tot een risicogroep of een kwetsbare minderheidsgroep was onvoldoende om direct in aanmerking te komen voor een asielvergunning. Het lag namelijk ook op de weg van de betreffende vreemdelingen om geringe indicaties (bij risicogroepen) of beperkte indicaties (bij kwetsbare minderheidsgroepen) naar voren te brengen die wezen op een gegronde vrees voor vervolging of een verhoogd risico op ernstige schade. Als dergelijke indicaties naar voren werden gebracht, werd in beginsel een asielvergunning verleend. Voor deze groep gold dus ook een lagere bewijslast, maar een minder lage bewijslast dan bij groepsvervolging en systematische blootstelling aan ernstige schade.
4.4.
In 2024 heeft verweerder de begrippen risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen geschrapt. Daarvoor in de plaats heeft verweerder het begrip risicoprofielen geïntroduceerd. Het behoren tot een groep die is aangemerkt als risicoprofiel is op zichzelf niet voldoende voor een asielvergunning. Voor risicoprofielen wordt slechts aangenomen dat zij op meer structurele en minder incidentele wijze in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten of derden. Anders gezegd: het betreffende risicoprofiel loopt in algemene zin een bepaalde mate van risico. Het individualiseringsvereiste heeft dus onder het risicoprofiel meer nadruk gekregen, ten opzichte van risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen. Daarbij komt de bewijslast om de gestelde vrees aannemelijk te maken in eerste instantie bij de vreemdeling te liggen. Als een vreemdeling tot een risicoprofiel behoort, wordt het individuele relaas afgezet tegen de algemene situatie in het land van herkomst voor de desbetreffende groep waartoe de vreemdeling behoort. [11]
4.5.
Het voorgaande kan worden samengevat in onderstaand overzicht, waarbij de bovenste rij het meest gunstige uitgangspunt is voor de vreemdeling en de onderste rij het minst gunstige uitgangspunt.
Welke categorie?
Welke situatie?
Welke bewijslast?
Groepsvervolging en systematische blootstelling aan ernstige schade.
De betreffende groep wordt systematisch blootgesteld aan vervolging of ernstige schade.
Laagste vorm van bewijslast. De vreemdeling moet in beginsel alleen aannemelijk maken dat hij tot de betreffende groep behoort.
Risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen.
Een verhoogd risico op vervolging of ernstige schade.
Lagere vorm van bewijslast. De vreemdeling moet in beginsel alleen aannemelijk maken dat hij tot de betreffende groep behoort én geringe of beperkte indicaties naar voren brengen.
Risicoprofiel.
Het risicoprofiel staat op meer structurele wijze en minder incidentele wijze in de negatieve aandacht van de autoriteiten of derden. In algemene zin is er een bepaalde mate van risico.
De individuele omstandigheden worden afgezet tegen de positie van de groep en de algemene (veiligheids)situatie in het land van herkomst.
Geen van de bovenstaande categorieën.
Geen uitgangspunt van een systematische, verhoogde of bepaalde mate van risico.
De vreemdeling moet specifieke individuele kenmerken naar voren brengen waaruit de vrees voor vervolging of het reëel risico op ernstige schade voortvloeit.
Het landenbeleid voor Irak
4.6.
Het landenbeleid voor Irak is bij Kamerbrief van 27 mei 2024 voor het laatst aangepast. Reden voor die aanpassing was het algemene ambtsbericht over de (veiligheids)situatie in Irak van 3 november 2023. Een van de wijzigingen van het landenbeleid was het schrappen van Jezidi’s als kwetsbare minderheidsgroep. In de Kamerbrief wordt uitgelegd dat IS namelijk al geruime tijd is verslagen en dat de (veiligheids)situatie bestendig genoeg is om te oordelen dat aanmerken als kwetsbare minderheidsgroep niet langer nodig is. In de Kamerbrief wordt over Jezidi’s specifiek opgemerkt dat zij het nog steeds lastig hebben in Irak, maar dat er vanuit de autoriteiten ook initiatieven zijn om Jezidi’s terug te laten keren naar [regio] en om herstelbetalingen te doen aan IS-slachtoffers. Tot slot heeft verweerder in de Kamerbrief aangegeven dat hij ook geen reden ziet om Jezidi’s aan te merken als risicoprofiel. Daarvoor verwijst verweerder naar de verbeterde situatie voor Jezidi’s en het feit dat er in algemene zin voor Jezidi’s geen sprake lijkt te zijn van vervolging.
Het standpunt van eiser
4.7.
Het meest verstrekkende betoog van eiser is dat voor Jezidi’s in Irak sprake is van groepsvervolging of van systematische blootstelling aan ernstige schade en dat hij alleen daarom al een asielvergunning zou moeten krijgen. De rechtbank leest de beroepsgronden van eiser zo dat hij verder betoogt dat Jezidi’s in ieder geval als risicoprofiel aangemerkt zouden moeten worden. Om zijn standpunt te onderbouwen wijst eiser erop dat Jezidi’s structureel te maken hebben met maatschappelijke uitsluiting, vernedering en ongelijke behandeling, waardoor zij nauwelijks kunnen deelnemen aan het openbare leven. Zij worden daartegen niet beschermd door de autoriteiten. Daarbij komt dat de omstandigheden in [regio] zeer slecht zijn. De veiligheidssituatie is erg onzeker en het merendeel van de infrastructuur is verwoest, waardoor er beperkt toegang is tot basisvoorzieningen. Eisers positie als Jezidi blijft fundamenteel onveilig.
Het standpunt van verweerder
4.8.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor Jezidi’s in Irak terecht niet wordt uitgegaan van groepsvervolging en systematische blootstelling aan ernstige schade. Vanwege de verbetering van de situatie van Jezidi’s is ook terecht afgezien van het aanmerken van deze groep als risicoprofiel. Verweerder vindt met name van belang dat de (juridische) positie van Jezidi’s is verbeterd. Hun godsdienst wordt erkend en er zijn initiatieven vanuit de federale overheid om Jezidi’s te ondersteunen bij terugkeer naar [regio] . Ook zijn er compensatieregelingen en herstelbetalingen in het leven geroepen voor Jezidi’s. Tijdens de zitting heeft verweerder er ook op gewezen dat de meeste teruggekeerde Jezidi’s in [regio] binnen afzienbare tijd een vorm van onderdak vinden en dat genoemde haatcampagnes niet tot geweld tegen Jezidi’s hebben geleid.
Het oordeel van de rechtbank
4.9.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen in ieder geval niet in geschil is dat de positie van Jezidi’s in Irak nog steeds zorgelijk is. Uit verschillende openbare bronnen komt het volgende beeld naar voren. Godsdienstvrijheid wordt grondwettelijk erkend voor Jezidi’s, maar de groep wordt geconfronteerd met bijzonder moeilijke omstandigheden. Zo worden zij nog steeds systematisch blootgesteld aan discriminatie en stigmatisatie. Ondanks bepaalde vooruitgang blijven Jezidi’s gemarginaliseerd en ervaren zij beperkingen zoals bij de toegang tot de arbeidsmarkt. Ook zijn Jezidi’s nog steeds slachtoffer van geweld, afpersing en ontvoering. (Online) haatcampagnes hebben verder tot een nieuwe golf aan ontheemding geleid en overlevenden van de genocide lijden aan psychische en fysieke gezondheidsproblemen, waaronder PTSS, depressie en suïcidaliteit. Terugkeer van Jezidi’s naar [regio] blijft beperkt vanwege de onveilige situatie in [regio] en vanwege politieke en juridische moeilijkheden die samenhangen met de stagnerende uitvoering van het [regio] -akkoord dat in 2020 werd gesloten. Vanwege de aanwezigheid van verschillende gewapende groeperingen kan [regio] worden gezien als “transnational conflict hub”, aldus het EUAA. Bovendien worden veel teruggekeerde Jezidi’s geconfronteerd met vernietigde huizen en infrastructuur. Zo leefde 88% van de binnenlandse ontheemden in [regio] onder zware leefomstandigheden, waarbij ongeveer 49% van de ontheemden na vertrek uit de kampen geen toegang tot schoon drinkwater had. Ook vormen mijnen en onontplofte munitie een gevaar voor bewoners in [regio] .
Er zijn federale compensatieregelingen opgezet voor slachtoffers van de genocide, maar de daadwerkelijke uitvoering van deze regelingen blijft beperkt vanwege logistieke beperkingen. Over terugkeeruitkeringen en materiële steun bij terugkeer is wisselende informatie beschikbaar. Zo volgt uit het meest recente EUAA rapport dat de meeste Jezidi’s die zijn teruggekeerd naar [regio] de beloofde terugkeeruitkering en materiële steun niet hebben ontvangen. Het Thematisch Ambtsbericht vermeldt daarentegen dat 83% enige vorm van financiële ondersteuning ontving, maar dat de ondersteuning bij terugkeer als onvoldoende werd omschreven. In het Thematisch Ambtsbericht staat verder dat huishoudens die op de wachtlijst stonden de terugkeersubsidie niet ontvingen. Wel heeft de federale overheid landsrechten toegekend aan Jezidi’s, waardoor sommigen officieel erkend worden als landeigenaar. In januari 2024 werd door de federale autoriteiten besloten om de ontheemdenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR) [12] later dat jaar te sluiten met het oog op terugkeer van de ontheemden. Dit besluit werd medio 2024 uitgesteld. Een bron uit het Thematisch Ambtsbericht meldt dat de autoriteiten van de KAR weigerden om het besluit van de federale autoriteiten uit te voeren, omdat de omstandigheden in [regio] onvoldoende zouden zijn voor terugkeer. Een bron in het Thematisch Ambtsbericht geeft specifiek aan dat kampen in de KAR niet gedwongen gesloten werden vanwege internationale humanitaire principes en het principe van non-refoulement. De plannen om de ontheemdenkampen te sluiten zijn vooralsnog aangehouden en in de Iraakse media zijn berichten verschenen dat alle binnenlandse ontheemden in de ontheemdenkampen door de federale autoriteiten zelfs als “geïntegreerd” zouden worden beschouwd in de KAR. Volgens een bron uit het Thematisch Ambtsbericht zou de KAR met name hebben gewezen op het gebrek aan veiligheid en basisvoorzieningen in gebieden van oorsprong als obstakel voor terugkeer. [13]
4.10.
Op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht en wat uit de bovenstaande openbare informatie naar voren komt, oordeelt de rechtbank het volgende. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat voor Jezidi’s in Irak geen sprake is van groepsvervolging of systematische blootstelling aan ernstige schade. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de lat hiervoor erg hoog ligt en dat voor Jezidi’s vóór de wijziging van het landenbeleid ook geen groepsvervolging werd aangenomen. De omschreven situatie waarin Jezidi’s zich in [regio] bevinden is onvoldoende om die hoge lat te halen. Verweerder heeft naar het landenbeleid mogen verwijzen en heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de Jezidi-gemeenschap in het verleden (2014) ernstig getroffen is door het optreden van IS, maar dat IS inmiddels geen territoriale controle meer heeft in [regio] en dat de dreiging voor de Jezidi’s in dat opzicht aanzienlijk is afgenomen. Eiser heeft ook geen landeninformatie overgelegd die erop wijst dat de situatie voor Jezidi’s dusdanig slecht is dat wel sprake is van groepsvervolging of systematische blootstelling aan ernstige schade. Deze beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.
4.11.
De rechtbank volgt eiser echter wel in zijn betoog dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom Jezidi’s in [regio] niet als risicoprofiel worden aangemerkt. De rechtbank vindt daarvoor de volgende punten van belang.
Verweerder heeft voor zijn standpunt met name gewezen op de godsdienstvrijheid, initiatieven voor terugkeer en herstelbetalingen en de afwezigheid van vervolging in algemene zin. De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat deze onderbouwing niet volstaat. Zo overweegt zij allereerst dat de godsdienstvrijheid voor Jezidi’s al ruim vóór de wijziging van het landenbeleid in de grondwet was vastgelegd. Dat is dus geen wijziging van de situatie. Verder blijkt uit de landeninformatie onder 4.9. in ieder geval dat terugkeer momenteel nauwelijks plaatsvindt en dat volgens een bron uitgerekend de autoriteiten van de KAR terugkeer naar [regio] bestempelen als niet in lijn met het non-refoulement beginsel. Informatie over de ontvangst van terugkeer- en herstelbetalingen is wisselend, maar daaruit kan in ieder geval worden opgemaakt dat een aanzienlijk deel niet of onvoldoende steun ontvangt en dat er veel oorzaken zijn die ertoe leiden dat het in de praktijk moeilijk is om (voldoende) steun te krijgen. Ook komen Jezidi’s in [regio] terecht in zeer zware leefomstandigheden, waarbij ongeveer de helft van de mensen geen toegang tot drinkwater heeft. De rechtbank vindt daarnaast van groot belang dat de openbare informatie een duidelijk beeld schetst over systematische discriminatie en stigmatisatie waar Jezidi’s nog altijd mee te maken hebben. De rechtbank benadrukt dat dit weliswaar niet automatisch de lat van vervolging of ernstige schade haalt, maar dat dat voor het aannemen van een risicoprofiel ook geen vereiste is. De aanwezigheid van systematische discriminatie en stigmatisatie is voor het aanmerken van risicoprofielen daarentegen juist wel een zeer relevant gegeven. Dit klemt temeer, nu deze groep met de genocide in 2014 al de meest vreselijke vorm van discriminatie heeft meegemaakt. De rechtbank wijst daarbij op paragrafen 53 en 55 van het UNHCR Handboek [14] over het cumulerend effect van discriminerende ervaringen die uiteindelijk tot het aannemen van vrees voor vervolging leiden. Het voortbestaan van discriminatie na de traumatisering van de genocide kan dus wel degelijk relevant zijn voor het aannemen van een (bepaalde mate van) risico op vervolging. Daar komt bij dat verweerder in de Kamerbrief lijkt te suggereren dat er in algemene zin al sprake moet zijn van
vervolging [15] om het risicoprofiel toe te passen. Uit het eigen beleid van verweerder volgt echter dat voor het aanmerken van een risicoprofiel slechts vereist is dat er in algemene zin
een bepaalde mate van risico [16] moet zijn. De groep moet op meer structurele wijze en minder incidentele wijze
in de negatieve aandacht [17] staan. Dat is een aanzienlijk lagere lat dan de lat die verweerder in de Kamerbrief lijkt te hanteren om te onderbouwen waarom geen risicoprofiel wordt toegepast. De rechtbank overweegt daarbij dat voor vreemdelingen met een risicoprofiel op dit moment een zwaardere bewijslast geldt dan voor de beleidswijziging gold voor de kwetsbare minderheidsgroep waartoe de Jezidi’s destijds behoorden. In zekere zin is de uitgangspositie voor Jezidi’s met de wijziging van het landenbeleid dus met twee stappen achteruit gegaan, nu zij voorheen als kwetsbare minderheidsgroep werden aangemerkt en nu (beleidsmatig) op geen enkele manier worden onderscheiden van elke willekeurige andere vreemdeling die asiel aanvraagt. De rechtbank verwijst hiervoor naar het schema onder 4.5. De rechtbank vindt in hetgeen verweerder heeft aangevoerd onvoldoende overtuigende argumenten om deze degradatie van de bescherming van Jezidi’s te rechtvaardigen.
4.12.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Jezidi’s uit [regio] niet als risicoprofiel zijn aangemerkt. Het gevolg daarvan is dat eisers relaas niet op de juiste manier is getoetst. Bij risicoprofielen moet het individuele relaas namelijk afgezet worden tegen de algemene situatie in het land van herkomst voor de desbetreffende groep waartoe de vreemdeling behoort. Dat is in eisers zaak niet gebeurd. Het bestreden besluit kan om die reden niet in stand blijven. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Eiser heeft in beroep nog meer redenen aangevoerd waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over het landenbeleid komt zij echter niet meer toe aan een bespreking van die overige beroepsgronden. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft daarvoor een termijn van acht weken.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een aanvraag zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Eiser is dus niet vanuit een ontheemdenkamp in de Koerdische Autonome Regio het land ontvlucht, zoals bij veel Jezidi’s uit Irak wel aan de orde is.
4.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
5.Richtlijn 2011/95/EU.
6.Zie paragraaf C7/1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
7.Artikel 15 van Pro Kwalificatierichtlijn.
8.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000
9.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000
10.Dit zijn: ras, godsdienst, nationaliteit, sociale groep en politieke overtuiging.
11.Zie voor het voorgaande de paragrafen C2/2.4. en C2/3.2.4. van het Vc 2000 en de Nota “Introductie risicoprofielen” van 19 december 2023 (kenmerk: 5131545).
12.90% van de bewoners in deze ontheemdenkampen zijn Jezidi’s uit [regio] .
13.Bovenstaande informatie in rechtsoverweging 4.9. is gebaseerd op de volgende bronnen: pagina 81 tot en met 83 van het rapport “Iraq – Country Focus, Country of Origin Information Report, October 2025” van het EUAA, pagina 33 van het rapport “Iraq – Country Focus, Country of Origin Information Report, May 2024” van het EUAA, pagina’s 54-55 en 67-71 van het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023 en pagina’s 6-9 van het Thematisch Ambtsbericht Irak van november 2025.
14.“Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Statue of Refugees.
15.Cursivering door de rechtbank.
16.Cursivering door de rechtbank.
17.Cursivering door de rechtbank.