ECLI:NL:RBDHA:2026:13727

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
11820822
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens huurachterstand en ontruiming

De zaak betreft een geschil over de huur van een bedrijfsruimte te [plaats]. De huurder had een integrale horecavergunning aangevraagd, maar deze werd geweigerd. Partijen hadden een afspraak dat huurbetaling zou worden opgeschort zolang de vergunning niet was verleend. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en betaling van een huurachterstand.

De kantonrechter stelt vast dat de huurder vanaf april 2025 tot en met juli 2025 een huurachterstand van €6.000 heeft laten ontstaan. De afspraak over opschorting van huurbetaling is niet nageleefd en geldt bovendien slechts voor een korte periode tijdens de vergunningaanvraag. De rechtbank oordeelt dat de huurachterstand ernstig genoeg is om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen.

De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en een schadevergoeding tot drie maanden huur na ontruiming. De huurder moet het gehuurde binnen veertien dagen na betekening ontruimen. De overige vorderingen worden afgewezen. De huurder draagt tevens de proceskosten.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens huurachterstand en de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van achterstallige huur, incassokosten en schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
LA/bc
Zaaknummer: 11820822 \ RL EXPL 25-14196
Vonnis van 26 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. H.P. Schouten,
tegen
[gedaagde partij],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. M.W. Fakiri.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 juli 2025 met producties 1 en 2,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6,
- de akte overlegging producties 7 tot en met 9 van [gedaagde partij] ,
- de akte uitlaten producties, tevens akte wijziging van eis en overlegging producties van [eisende partij] ,
- het e-mailbericht van mr. M.W. Fakiri van 24 april 2026,
- het e-mailbericht van de rechtbank van 24 april 2026 waarin is meegedeeld dat de akte uitlaten producties buiten beschouwing wordt gelaten, omdat daartoe geen gelegenheid is geboden,
- de akte aanvullende producties 10 tot en met 13 van [gedaagde partij] .
1.2.
Op 30 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eisende partij] is verschenen, bijgestaan door mr. D.A. IJpelaar. [gedaagde partij] is verschenen, bijgestaan door mr. M.W. Fakiri. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is eigenaar van de bedrijfsruimten [adres 1] en [adres 2] te [plaats] .
2.2.
[naam] heeft [eisende partij] benaderd om [adres 1] te huren, en eveneens [adres 2] maar dan op de naam van [gedaagde partij] . Daarbij hebben partijen afgesproken dat [naam] de huur betaalt voor zowel [adres 1] als [adres 2] .
2.3.
Op 23 februari 2024 heeft [gedaagde partij] bij gemeente Leidschendam-Voorburg om een integrale horecavergunning gevraagd, te weten de exploitatievergunning, de drankvergunning en de aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten.
2.4.
Op 22 maart 2024 stuurt [eisende partij] een e-mailbericht aan [gedaagde partij] :
‘‘Beste hr [gedaagde partij]
Met betrekking de huurovereenkomst [adres 2] zal zoals afgesproken, de huur van [adres 2] door u worden voldaan op het moment dat de vergunning door de gem leidschendam word afgegeven.
Met groet [eisende partij] ’’
2.5.
Op 23 maart 2024 tekent zowel [eisende partij] als [gedaagde partij] de huurovereenkomst voor [adres 2] te [plaats] (hierna: het gehuurde). De huurprijs bedraagt € 1.500,00 per maand, is bij vooruitbetaling verschuldigd en de huurovereenkomst gaat in per 1 januari 2024. Volgens de huurovereenkomst is het gehuurde bestemd om te worden gebruikt als horecagelegenheid. Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard.
2.6.
Op 15 juli 2024 besluit de burgemeester de vergunningaanvraag van [gedaagde partij] te weigeren. Tegen dit besluit heeft [gedaagde partij] op 18 augustus 2024 bezwaar gemaakt.
2.7.
Op 28 augustus 2024 corresponderen [eisende partij] en [naam] over het gehuurde:
‘‘ [eisende partij] : Hoi [naam] ik kan de huur van [adres 2] niet langer uitstellen het is van September 2350 laten we een deze dagen even samen komen groetjes [eisende partij]
Horecagelegenheid: Hoi
Horecagelegenheid: Et gaat momenteel echt niet lukken
Horecagelegenheid: Zoals je ziet willen ze de vergunningen gewoon niet afgeven op het pand
Horecagelegenheid: En zijn we gewoon heel erg lang al bezig met de advocaat om de zaak open te krijgen
Horecagelegenheid: Als ik dan nu ook nog is 1000 euro meer moet betalen
Horecagelegenheid: Gaat dat echt een potje worden’’
2.8.
De Rechtbank Den Haag heeft op 6 maart 2026 het bezwaar van [gedaagde partij] van 18 augustus 2024 gegrond verklaard. De burgemeester zal daarom een nieuw onderzoek uitvoeren.
3. Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 6.000,00 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Daarnaast gedraagt [gedaagde partij] zich niet als goed huurder, omdat hij het gehuurde niet als horecagelegenheid gebruikt. Als gevolg van deze tekortkoming lijdt [eisende partij] schade, althans zal hij schade lijden. Daarnaast is het gehuurde na verloop van een periode van ten minste een jaar leegstand niet meer verzekerbaar. Deze tekortkomingen rechtvaardigen volgens [eisende partij] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde partij] betwist dat er sprake is van een huurachterstand. Hij voert aan dat partijen op 22 maart 2024 een afspraak hebben gemaakt, inhoudende dat [gedaagde partij] per april 2024 geen huur meer hoeft te betalen zolang er geen vergunning is verleend. [gedaagde partij] is dan ook niet tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst. [gedaagde partij] verzet zich dan ook tegen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[gedaagde partij] moet de huurachterstand betalen
4.1.
[eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] vanaf april 2025 tot en met juli 2025 een huurachterstand van € 6.000,00 heeft laten ontstaan. [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat partijen op 22 maart 2024 een afspraak hebben gemaakt dat [gedaagde partij] de huurtermijn van € 1.500,00 per maand niet hoeft te betalen zolang de vergunning voor het gehuurde nog niet is verleend. [eisende partij] mag deze afspraak dan ook niet eenzijdig intrekken.
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat de afspraak in maart 2024 is gemaakt met [naam] , maar dat die afspraak nimmer is nageleefd. [naam] heeft immers de huur van € 1.500 per maand doorbetaald tot april 2025. Nog daargelaten of [gedaagde partij] een beroep op deze afspraak kan doen nu hij daarbij geen partij was, heeft [eisende partij] verder aangevoerd dat partijen een andersluidende afspraak hebben gemaakt, namelijk dat de huur niet betaald hoefde te worden tijdens de aanvraagprocedure bij de gemeente. Deze periode duurt hooguit vijf weken. Daarnaast is het opmerkelijk dat [gedaagde partij] pas bij conclusie van antwoord dit standpunt heeft ingenomen, terwijl [eisende partij] [gedaagde partij] al op 10 juni 2025 heeft gesommeerd tot betaling van de huurachterstand. Gelet op de stukken en wat ter zitting is aangevoerd is er onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de afspraak nog geldt. De conclusie uit het voorgaande is dat er berekend tot en met juli 2025 sprake is van een huurachterstand van € 6.000,00. Dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.
4.3.
[gedaagde partij] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke handelsrente over de huurachterstand worden toegewezen.
4.4.
[eisende partij] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
De huurovereenkomst zal worden ontbonden en [gedaagde partij] moet het gehuurde ontruimen
4.5.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van zijn verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Bij een bedrijfsruimte zal een achterstand van meer dan twee maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen.
4.6.
De gevorderde huurachterstand bedraagt ten tijde van de mondelinge behandeling een jaar en rechtvaardigt daarmee de ontbinding van de huurovereenkomst. Aan het verweer van [gedaagde partij] dat er vanaf maart 2024 geen sprake is van een betalingsverplichting en dat het daarom niet rechtvaardig is om de huurovereenkomst te ontbinden gaat de kantonrechter voorbij, gelet op wat onder 4.2 is overwogen.
4.7.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde partij] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
Schadevergoeding is gedeeltelijk toewijsbaar
4.8.
De door [eisende partij] gevorderde schadevergoeding voor iedere maand die na de ontbinding van de huurovereenkomst verloopt tot de overeengekomen einddatum van de huurovereenkomst zal slechts gedeeltelijk worden toegewezen. De gevorderde schade zal worden toegewezen tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt. Toewijsbaar is voorts een schadevergoeding ter grootte van drie maanden huur na de maand van ontruiming van het gehuurde. Over het meer gevorderde kan op dit moment niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dát die schade ook werkelijk zal optreden. Eventueel nadien door [eisende partij] geleden schade zal hij zo nodig in een afzonderlijke procedure dienen te vorderen.
De verklaring voor recht en de bijbehorende gevorderde schadevergoeding worden afgewezen
4.9.
[eisende partij] vordert een verklaring voor recht. Bij de verklaring voor recht heeft [eisende partij] geen zelfstandig belang omdat de geldvorderingen waartoe de verklaring de grondslag zou kunnen bieden, in deze procedure worden beoordeeld. Daarom wordt de gevorderde verklaring voor recht afgewezen. De kantonrechter is tevens van oordeel dat de bijbehorende schadevergoeding moet worden afgewezen aangezien dit deel van de vordering betrekking heeft op de schadevergoeding naast ontbinding, en hierover onder 4.7. is overwogen dat de schadevergoeding naast ontbinding beperkt wordt ter grootte van drie maanden huur na de ontruiming van het gehuurde.
[gedaagde partij] moet de proceskosten betalen
4.10.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.266,45
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres 2] in [plaats] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisende partij] zijn, en de sleutels af te geven aan [eisende partij] ,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] om te betalen aan [eisende partij] :
- € 6.000,00 aan achterstallige huur tot en met juli 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 776,52 aan buitengerechtelijke kosten,
- € 1.500,00 per maand vanaf augustus 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
- de schade met betrekking tot de na de maand van ontruiming resterende contractsperiode ter grootte van drie maanden huur zijnde € 4.500,00 en verklaart [eisende partij] voor het overige in die schadevordering niet ontvankelijk;
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.266,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.