4.4.1.Vraag is veeleer of het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek er toe moet leiden dat de afweging van belangen bij het voortduren van de bewaring in het voordeel van eiser dient uit te vallen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Gelet op het verloop van de artikel 64-procedure en de huidige stand van zaken, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister aan het belang van eiser bij de opheffing van de bewaring een zwaarder gewicht had moeten toekennen. Eisers stelling dat de beslistermijn is verstreken voor de aanvraag voor uitstel van vertrek, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, betreft dit een aparte procedure die losstaat van eisers inbewaringstelling. Dat en of de beslistermijn is verstreken, maakt de bewaring dus niet onrechtmatig.
5. Eiser voert aan dat ook niet duidelijk is of zicht op uitzetting bestaat. Als duidelijk is dat eisers aanvraag voor uitstel van vertrek wordt ingewilligd, kan hij namelijk ook niet worden uitgezet.
6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is juist dat eiser niet wordt uitgezet als zijn aanvraag wordt ingewilligd, maar dit betekent niet dat zicht op uitzetting ontbreekt. Het is immers nog niet duidelijk of eisers aanvraag wordt ingewilligd. De aanvraag zelf levert ook geen rechtmatig verblijf op. Bovendien wordt de bewaring opgeheven als eisers aanvraag wordt ingewilligd.In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank dus geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt.
7. Eiser voert verder aan dat ook onduidelijk is of zicht op uitzetting bestaat omdat hij moet terugkeren naar Irak. Als gevolg van de oorlog tussen de Verenigde Staten en Iran was het luchtruim lange tijd gesloten en het is eiser niet duidelijk is hoe de situatie nu is. Tijdens de behandeling van het eerste vervolgberoep is nog overwogen dat het mogelijk gaat om een tijdelijke reisbeperking, maar de vraag is of daarvan nog steeds kan worden gesproken.
8. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat vanaf 8 april 2026 een staakt-het-vuren van kracht is en dat vanaf dat moment commerciële vluchten beperkt mogelijk zijn. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat zicht op uitzetting naar Irak op dit moment niet ontbreekt.
9. Eiser voert aan dat de minister moet volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. De bewaring valt eiser zwaar en hij is ook veel afgevallen. Hij verblijft sinds 9 januari 2026 in bewaring en vindt het lastig dat hij niet weet waar hij aan toe is. Eiser wil vooral graag een medische behandeling krijgen, en ook meewerken aan zijn vertrek naar Irak als de medische behandeling daar voorhanden is en geregeld kan worden. Ook is eiser bang dat de bewaring langer duurt omdat voor zijn uitzetting bepaalde reisvoorwaarden gelden, en deze de uitzettingsprocedure kunnen vertragen. Gelet op dit alles meent eiser dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister hoeft niet te volstaan met een lichter middel. De rechtbank begrijpt dat de bewaring eiser zwaar valt, maar dat betekent niet dat de bewaring onredelijk bezwarend is. Eiser kan zich zo nodig ook wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Gesteld, noch gebleken is dat dat medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend zijn. Verder staat in de uitspraak van 10 april 2026 op het eerste vervolgberoep, dat de minister heeft toegelicht dat de reisvoorwaarden zoals deze volgen uit het BMA-advies wel binnen een redelijke termijn gerealiseerd kunnen worden. De rechtbank overwoog vervolgens dat niet is gebleken dat op voorhand kan worden geconcludeerd dat niet aan deze voorwaarden kan worden voldaan of dat de minister hierin zal tekortschieten. De rechtbank ziet in deze voorliggende procedure geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft zijn stelling ook niet verder onderbouwd of concreet gemaakt.
11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.