ECLI:NL:RBDHA:2026:13754

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26651
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag heeft op 26 mei 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het voortduren van zijn maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was opgelegd op 12 januari 2026 en eerder getoetst bij uitspraken in januari, maart en april 2026.

Eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting naar Senegal omdat de Senegalese autoriteiten niet reageerden op de aanvragen voor een laissez-passer en presentaties niet doorgingen. Ook voerde hij aan dat het belang van de minister om de bewaring voort te zetten niet opwoog tegen zijn belang bij vrijlating, en dat de maatregel disproportioneel was.

De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk zicht op uitzetting bestaat, omdat de Senegalese autoriteiten de aanvraag niet hadden afgewezen en enige tijd gegund moet worden voor afgifte van documenten. De voortgangsrapportage werd als betrouwbaar beschouwd en het feit dat eiser weigerde deel te nemen aan een vertrekgesprek speelde mee. De belangenafweging viel uit in het voordeel van de minister, mede omdat de eerste zes maanden van bewaring doorgaans meer gewicht aan de minister toekomen.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26651

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 12 januari 2026.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. De oplegging van de maatregel is getoetst bij uitspraak van 27 januari 2026. [1] Het voortduren van de maatregel van bewaring is getoetst bij uitspraak van 6 maart 2026 [2] en bij uitspraak van 14 april 2026. [3]
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 19 mei 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Overwegingen

Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [4]
2.1.
Uit de uitspraak van 14 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 10 april 2026) rechtmatig is
Ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
3. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Senegal ontbreekt. Hij voert aan dat de Senegalese autoriteiten niet hebben gereageerd op de rappels van de minister in het kader van zijn laissez-passer (lp)-aanvraag en dat meerdere presentaties geen doorgang hebben gevonden. Volgens eiser is het onduidelijk waarom deze presentaties zijn geannuleerd en is in de voortgangsrapportage ten onrechte vermeld dat sprake was van een ‘no show’. Volgens eiser is het aan de minister om uitleg te geven waarom de presentaties niet zijn doorgegaan, omdat dit een aangelegenheid is tussen de Nederlandse en Senegalese autoriteiten. Bovendien voert eiser aan dat hij niet op de hoogte was van de presentatie van 23 april 2026. Dat hij niet zou willen meewerken aan de presentaties is volgens eiser niet aannemelijk, omdat hij tijdens het vertrekgesprek van 2 april 2026 heeft verklaard aan een presentatie te willen meewerken.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Senegal bestaat, zoals ook eerder in de uitspraken over deze maatregel is geoordeeld. [5] Dat de Senegalese autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de rappels van de minister en dat de presentaties niet zijn doorgegaan, is onvoldoende om aan te nemen dat in eisers geval geen zicht op uitzetting bestaat. Niet is gebleken dat de Senegalese autoriteiten de aanvraag van eiser voor een lp hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet langer in behandeling hebben. Aan de autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de voortgangsrapportage en de daarin vermelde reden voor het niet doorgaan van de presentaties. De rechtbank acht van belang dat uit de voortgangsrapportage in ieder geval niet blijkt dat de Senegalese autoriteiten geen medewerking willen verlenen aan deze presentaties. Daar komt bij dat uit het vertrekgesprek van 28 april 2026 blijkt dat eiser heeft geweigerd aan dat gesprek deel te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Weegt het belang van eiser zwaarder dan het belang van de minister?
4. Eiser voert aan dat het belang van de minister om de maatregel voort te zetten niet langer opweegt tegen de belangen van eiser om in vrijheid te worden gesteld. Volgens eiser is de inbewaringstelling niet langer proportioneel en in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
4.1.
De rechtbank overweegt dat in beginsel gedurende de eerste zes maanden van de bewaring meer gewicht toekomt aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Eiser heeft echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1253.
2.Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 6 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4791.
3.Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9127.
4.Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
5.Zie voetnoten 1, 2 en 3.
6.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329