ECLI:NL:RBDHA:2026:13754
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De rechtbank Den Haag heeft op 26 mei 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het voortduren van zijn maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was opgelegd op 12 januari 2026 en eerder getoetst bij uitspraken in januari, maart en april 2026.
Eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting naar Senegal omdat de Senegalese autoriteiten niet reageerden op de aanvragen voor een laissez-passer en presentaties niet doorgingen. Ook voerde hij aan dat het belang van de minister om de bewaring voort te zetten niet opwoog tegen zijn belang bij vrijlating, en dat de maatregel disproportioneel was.
De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk zicht op uitzetting bestaat, omdat de Senegalese autoriteiten de aanvraag niet hadden afgewezen en enige tijd gegund moet worden voor afgifte van documenten. De voortgangsrapportage werd als betrouwbaar beschouwd en het feit dat eiser weigerde deel te nemen aan een vertrekgesprek speelde mee. De belangenafweging viel uit in het voordeel van de minister, mede omdat de eerste zes maanden van bewaring doorgaans meer gewicht aan de minister toekomen.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.