ECLI:NL:RBDHA:2026:13755
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiseres diende op 24 januari 2026 een asielaanvraag in bij Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag op 16 april 2026 niet in behandeling, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening. Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten toepassen vanwege bijzondere, individuele omstandigheden die een overdracht aan Duitsland zouden verhinderen.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een onevenredige hardheid zouden veroorzaken bij overdracht aan Duitsland. De enkele verwijzing naar haar gehoor en zienswijze was onvoldoende onderbouwing. De minister had zijn besluit voldoende gemotiveerd, mede door verwijzing naar eerdere overwegingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Emaus en griffier I.S. Pruijn. Eiseres kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.