ECLI:NL:RBDHA:2026:13790

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
12118590
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.P.C. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens geluidsoverlast van bovenburen

De huurder klaagde sinds 2023 over geluidsoverlast van de bovenburen, met name door spelende kinderen. De verhuurder heeft maatregelen getroffen, waaronder het aanbrengen van een ondervloer en geluiddempende tegels. De huurder vorderde een schadevergoeding van ruim €15.000 wegens gemist huurgenot, inkomensschade en immateriële schade.

De kantonrechter constateerde dat er inderdaad geluid hoorbaar was, maar dat het ging om normale leefgeluiden op normale tijden, die niet onrechtmatig zijn. De verhuurder had voldoende gedaan om de overlast te beperken en de buren gedroegen zich niet onrechtmatig. De klachtencommissie had eerder geadviseerd mediation te proberen, wat niet tot oplossing leidde.

De kantonrechter oordeelde dat de huurder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de hinder onrechtmatig was en dat de schade daadwerkelijk door de hinder was veroorzaakt. Juridisch was er geen grondslag voor een schadevergoeding. De vordering werd daarom afgewezen. Proceskosten werden niet aan de verhuurder toegewezen omdat deze daar geen aanspraak op maakte.

Uitkomst: Vordering schadevergoeding wegens geluidsoverlast wordt afgewezen omdat de overlast niet onrechtmatig is en verhuurder voldoende maatregelen heeft genomen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12118590 \ RP VERZ 26-50198
Vonnis van 28 mei 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,
tegen
STICHTING STAEDIONte Den Haag,
verwerende partij,
hierna te noemen: Staedion,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Op 28 januari 2025 heeft [eiser] op grond van het ‘Tijdelijk besluit experiment regelrechter’ bij de rechtbank een zaak aangemeld in een kwestie over geluidsoverlast. In het aanmeldformulier staat Staedion als wederpartij vermeld. Staedion heeft in reactie hierop gemeld dat zij bereid is om de zaak te laten behandelen door de regelrechter.
1.2.
Op 30 april 2026 is de kantonrechter samen met de griffier bij [eiser] thuis geweest. Daar is de zaak mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig: [eiser], vergezeld door een vriend, en namens Staedion de heer [naam].
1.3.
Op de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter met partijen besproken dat het door [eiser] gevorderde geldbedrag hoger is dan het bedrag waarover de regelrechter mag beslissen op grond van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter. [eiser] heeft toen gezegd dat hij toch graag van de kantonrechter een beslissing wil over zijn vordering.
1.4.
Partijen hebben vervolgens afgesproken dat zij aan de kantonrechter vragen om een beslissing te geven op grond van artikel 96 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op een manier die zoveel mogelijk aansluit bij het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (zonder dat zij het recht op hoger beroep uitsluiten).
1.5.
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat die beslissing er zal komen en in een vonnis wordt uitgewerkt. De uitspraak daarvan is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiser] huurt sinds 2016 van Staedion een flat aan het [adres] in [plaats].
2.2.
De woning erboven wordt ook door Staedion verhuurd. Daar woont een gezin met twee kinderen. De kinderen zijn momenteel vijf en zes jaar oud.
2.3.
Sinds 2023 klaagt [eiser] bij Staedion over geluidsoverlast van de bovenburen. Het gaat vooral over geluid van de kinderen: rennen, springen en gillen.
2.4.
Aanvankelijk hadden de bovenburen onder hun laminaatvloer geen ondervloer. Naar aanleiding van de klachten en met hulp van Staedion is er alsnog een ondervloer aangebracht. Bovenop de laminaatvloer liggen momenteel ook geluiddempende (schuim)tegels.

3.De vordering en de standpunten van partijen

3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter Staedion veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 15.337,36 of een beslissing neemt die de kantonrechter passend vindt. Het genoemde bedrag bestaat uit gemist huurgenot, inkomensschade, verblijfskosten, reiskosten en immateriële schade.
3.2.
[eiser] legt, samengevat weergegeven, aan de vordering het volgende ten grondslag. Staedion heeft de klachten aanvankelijk niet serieus genomen. Met [naam] heeft [eiser] nu goed contact, maar zijn voorganger heeft dat niet goed gedaan. De Klachtencommissie Wonen Zuid-Holland heeft [eiser] op dit punt gelijk gegeven en geadviseerd om mediaton te proberen. Dat heeft niet geleid tot een oplossing. De bovenbuurvrouw heeft slechts toegezegd dat zij ‘beter zal opletten’, maar [eiser] heeft nog steeds last. Het gaat vooral om de kinderen die geluid maken, voor en na schooltijd.
3.3.
[eiser] kan momenteel niet werken en is daarom veel thuis. Hij heeft psychische klachten. Vanwege de overlast gaat [eiser] geregeld ook tijdelijk even het huis uit. Zijn behandelend psychiater zegt dat een rustige woonomgeving noodzakelijk is voor herstel. [eiser] wil dat Staedion ervoor zorgt dat het stil wordt in huis. Als Staedion (ook) wordt veroordeeld tot betaling van een geldbedrag, is dat een vorm van erkenning. Dat is belangrijk voor zijn psychische herstel, zo heeft [eiser] aangevoerd.
3.4.
Staedion heeft op de mondelinge behandeling, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Het klopt dat Staedion in het verleden op klachten sneller had moeten reageren. Inmiddels is echter alles gedaan om de geluidsoverlast te beperken. [naam] is recent nog met de opzichter van Staedion bij de bovenburen binnen geweest om de situatie te bekijken. De bovenburen hebben een driedubbele vloer. Zijn doen dus hun best om de overlast te beperken. Verder hebben de bovenburen geen levensstijl die meer dan gemiddeld geluid veroorzaakt. De bovenbuurman heeft een baan buitenshuis. Hij is dus veel weg en de overdag zijn de kinderen op school.
3.5.
De flat is gebouwd in de jaren vijftig, waardoor het altijd wel gehorig zal blijven. [eiser] zal ongetwijfeld geluid horen, maar de buren gedragen zich niet onrechtmatig. Staedion reageert telkens op de klachten van [eiser], maar Staedion kan op dit moment niets voor hem doen. Hoezeer Staedion ook begrip heeft voor de psychische situatie van [eiser], is er geen juridisch grondslag voor een schadevergoeding, aldus Staedion.

4.De beoordeling van de kantonrechter

4.1.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Geluidsoverlast
4.2.
Het is duidelijk dat [eiser] geluid hoort van zijn bovenburen. Toen de kantonrechter bij hem thuis was, was op enig moment ook iets te horen. Het leek alsof er een voorwerp over de vloer werd geschoven. Weliswaar niet heel luid, maar wel hoorbaar. Vermoedelijk waren de kinderen op dat moment niet thuis, maar als de kinderen wel thuis zijn, is er ongetwijfeld meer te horen. Dat [eiser] zich daaraan stoort, neemt de kantonrechter onmiddellijk aan. Gelet op wat [eiser] heeft verteld, is het invoelbaar dat het bij hem psychische klachten veroorzaakt en/of verergert.
4.3.
Echter, de kantonrechter moet oordelen op basis van de wet. En de wet biedt geen oplossing voor het probleem van [eiser]. Pas als het gaat om
onrechtmatigehinder kan de kantonrechter ingrijpen en de verhuurder opdracht geven om maatregelen te treffen. Niet iedere hinder is onrechtmatig. Dan moet het echt gaan over bijvoorbeeld voortdurend geschreeuw, harde muziek en feestjes tot laat op de avond. En dat is hier duidelijk niet aan de orde.
4.4.
Het gaat in dit geval – juridisch beoordeeld – om normale leefgeluiden op normale tijdstippen op de dag. Dat kan zeker hinderlijk zijn, maar onrechtmatig is het niet. Van kleine kinderen kan namelijk niet worden verwacht dat zij zich stil houden. Daarbij weegt ook mee dat Staedion voldoende maatregelen heeft genomen om de overlast te beperken. Staedion is met de bovenburen in gesprek gegaan, heeft bekeken hoe zij wonen en leven en heeft ervoor gezorgd dat de bovenburen (extra) geluiddempende vloeren hebben aangelegd. De buren zijn zelfs nog een stap verder gegaan met een extra geluiddempende bovenvloer. De kantonrechter kan niet bedenken wat Staedion op dit moment nog meer zou moeten en kunnen doen.
4.5.
De kantonrechter kan Staedion daarom niet veroordelen om verdere maatregelen te treffen.
Schadeclaim
4.6.
Voor de schadeclaim geldt hetzelfde. Staedion heeft erkend dat klachten in het verleden vlotter hadden moeten worden opgepakt. Het is vervelend dat het zo gelopen is, maar juridisch is het onvoldoende voor een schadeclaim. Ook hier geldt dat op z’n minst moet blijken dat de hinder onrechtmatig is (geweest). En dat kan de kantonrechter niet vaststellen. Ook niet voor de periode dat de bovenburen nog geen ondervloer hadden.
4.7.
Bovendien moet bij een schadevordering duidelijk blijken dat de schade daadwerkelijk het
gevolgis van de onrechtmatige hinder. Neem bijvoorbeeld de inkomensschade. Dan moet concreet blijken dat [eiser]
doorde hinder ziek is geworden. Dat is heel moeilijk om vast te stellen, omdat psychische gezondheidsklachten ook te maken kunnen hebben met andere problemen in het leven. [eiser] heeft hier op de mondelinge behandeling zelf ook iets over verteld. Deze juridische hindernis geldt ook voor de andere schadeposten. Uiteindelijk is het in deze zaak niet mogelijk om de geclaimde schade te koppelen aan de hinder. En ook dat is juridisch wel noodzakelijk voor een schadevergoeding.
4.8.
De kantonrechter kan Staedion daarom niet veroordelen tot schadevergoeding.
Proceskosten
4.9.
In principe moet de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij betalen. Staedion zou dus recht kunnen hebben op een vergoeding voor proceskosten. Maar omdat Staedion daarop geen aanspraak heeft gemaakt, zal de kantonrechter aan [eiser] geen proceskostenveroordeling opleggen. Dat betekent dat [eiser] dus geen extra kosten kwijt is.

5.De beslissing

De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.