Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- het op 24 december 2025 ontvangen verzoekschrift, met producties 1 en 2;
- het op 9 april 2026 ontvangen verweerschrift, met producties 1 tot en met 4.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een verzoek van de zoon van een overledene om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten om te achterhalen hoe het overlijden van zijn vader in het ziekenhuis heeft kunnen plaatsvinden. De vader overleed door een fatale luchtembolie veroorzaakt door een verkeerde aansluiting van zuurstof op het infuus.
De rechtbank overweegt dat het verzoek in beginsel toewijsbaar is indien de verzoeker geen inzage krijgt in het strafrechtelijk dossier, waarin verklaringen van betrokken zorgmedewerkers zijn opgenomen. Omdat nog niet bekend is of het Openbaar Ministerie tot vervolging overgaat, is het inzagerecht op dit moment onzeker. Daarom wordt de procedure zes weken aangehouden om verzoeker de gelegenheid te geven inzage te vragen.
De rechtbank wijst het verzoek af voor het horen van leden van de onderzoekscommissie, omdat deze informatie uit het interne incidentenregister betreft dat afgeschermd moet blijven om de meldingsbereidheid te waarborgen. Verder moet verzoeker zijn getuigenlijst aanpassen, waarbij alleen de direct betrokken zorgmedewerkers die op de avond van het overlijden aanwezig waren, in aanmerking komen.
De rechtbank bepaalt termijnen voor het informeren over inzage en het reageren daarop, waarna een definitieve beslissing volgt. De proceskosten worden aangehouden tot die beschikking.
Uitkomst: De rechtbank houdt de procedure zes weken aan voor inzage in het strafdossier en wijst het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor deels toe en deels af.