ECLI:NL:RBDHA:2026:1383

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
09/379723-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 300 SrArt. 304 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak mishandeling levensgezel en oplegging taakstraf voor mishandeling in eigen huis

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van mishandeling van zijn levensgezel in de periode augustus tot november 2024. De tenlastelegging omvatte het slaan van aangeefster en het opzettelijk benadelen van haar gezondheid door onvoldoende eten te geven.

Na meerdere zittingen en het bestuderen van bewijsmateriaal, waaronder aangifte, foto’s van letsel en getuigenverklaringen, oordeelde de rechtbank dat het onthouden van voedsel niet bewezen kon worden. De mishandeling op 21 augustus 2024 werd wel wettig en overtuigend bewezen, terwijl de incidenten van 27 oktober en 26 november 2024 niet konden worden bewezen. Tevens werd vastgesteld dat er geen sprake was van een levensgezelrelatie zoals bedoeld in artikel 304 Sr Pro.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 100 uur, met aftrek van voorarrest, vanwege de ernst van het feit, de relatie tussen partijen en eerdere veroordelingen van verdachte. Teruggave van een in beslag genomen geldbedrag van €2.800,- werd gelast. De uitspraak werd gewezen door drie rechters op 29 januari 2026.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van mishandeling levensgezel en opzettelijk benadelen gezondheid, maar veroordeeld tot 100 uur taakstraf voor mishandeling op 21 augustus 2024.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/379723-24
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats 1] ([land]),
BRP-adres: [adres 1], [postcode] te [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 maart 2025, 27 mei 2025, 21 juli 2025, 9 oktober 2025 (alle pro forma) en 15 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.F.R. de Vrught en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. T. van Assendelft de Coningh naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 01 augustus 2024 tot en met 26 november 2024 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland zijn levensgezel, [aangeefster],
heeft mishandeld door
- die [aangeefster] (meermalen) tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of
- het hoofd van die [aangeefster] tegen een deur, althans een hard voorwerp, te slaan en/of
- opzettelijk de gezondheid van die [aangeefster] te benadelen, door haar onvoldoende eten te geven.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het opzettelijk benadelen van de gezondheid van [aangeefster] en tot bewezenverklaring van het overige ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair integrale vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat niet kan worden bewezenverklaard dat sprake is van een levensgezel.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer DH1R024097-19, van de Districtsrecherche Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 163).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster], opgemaakt op 22 augustus 2024, voor zover inhoudende (p. 15-19):
Pleegdatum/tijd: Op 21 augustus 2024
Ik doe deze aangifte tegen [verdachte].
V: Wanneer heeft hij op uw hoofd geslagen?
A: Gisteravond heeft hij mij op mijn hoofd geslagen.
V: Waar gebeurde dat?
A: Bij mij thuis, het [adres 2] in [plaats].
V: Hoe begon hij u te slaan?
A: Hij begon mij te slaan, en ik viel op de grond.
V: Hoe sloeg hij u?
A: Met alle kracht, waardoor ik bloedde uit mijn neus en mond.
V: Hoeveel keer heeft hij u geslagen?
A: Vele keren.
V: Ik zie dat u een verbandje op uw linkeroog heeft. Waarom is dat?
A: Hij heeft mij op mijn oog geslagen.
V: Heeft u letsel op de linkerkant van u lichaam of ergens anders?
A: Ik voel ook pijn bij mijn stuitje. Hij heeft mij daar geschopt.
V: Wanneer heeft hij op uw hart geslagen?
A: Dat was terwijl hij mij al die klappen gaf. Hij sloeg mij door en door. Hij gooide
mij op de grond en op het bed. Hij begon mij zo te slaan dat ik niet kon ademhalen.
2. Het geschrift, te weten een foto van het letsel van [aangeefster], (p. 21);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 november 2024, voor zover inhoudende (p. 32-33):
PL1500_BVH_2024269066_1
Op 21 augustus 2024, om 20.00 uur kregen politiefunctionarissen de melding dat meldster, [aangeefster], geboren op [geboortedatum 2] 1964 te [geboorteplaats 2] ([land]), gisteravond geslagen was door een man. Hierna te noemen in het proces-verbaal: '[aangeefster]'. Ter plaatse troffen zij [aangeefster] aan op het adres waar zij ingeschreven stond. Zij zagen dat zij een pleister had op haar linkeroog en een dikke rechterbovenlip.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting verstaat de rechtbank de tenlastelegging aldus dat er een drietal momenten zijn aan te wijzen waarop de verdachte wordt verweten aangeefster te hebben mishandeld, te weten op 21 augustus 2024, 27 oktober 2024 en 26 november 2024.
Onthouden van voedsel
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet is gebleken dat de verdachte aangeefster heeft onthouden van voedsel. Voor dit deel van de tenlastelegging zal de verdachte worden vrijgesproken.
21 augustus 2024
Op basis van de aangifte van mevrouw [aangeefster] en de foto van haar letsel is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster heeft mishandeld door haar te slaan. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat aangeefster het letsel heeft opgelopen door een val in de badkamer niet geloofwaardig. Bovendien heeft de verdachte wisselend verklaard over hoe aangeefster aan het letsel is gekomen en heeft hij ter zitting verklaard nog nooit letsel bij aangeefster te hebben gezien.
27 oktober 2024
Ten aanzien van de vraag of de verdachte aangeefster op 27 oktober 2024 heeft mishandeld, stelt de rechtbank voorop dat [aangeefster] daarvan geen aangifte heeft gedaan. Door getuige [getuige] is een verklaring afgelegd over hoe de avond is gelopen en dat zij getuige is geweest van de mishandeling van [aangeefster] door de verdachte. De rechtbank overweegt dat deze verklaring innerlijke tegenstrijdigheden bevat en, mede gelet op het ontbrekende steunbewijs, het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om ten aanzien van deze verdenking tot een bewezenverklaring te komen.
26 november 2024
Ten aanzien van het incident op 26 november 2024 overweegt de rechtbank als volgt. [aangeefster] en de verdachte verklaren beiden dat zij elkaar voor het laatst hebben gezien op 22 november 2024. Daaruit maakt de rechtbank op dat de vermeende mishandeling moet hebben plaatsgevonden op 22 november 2024 of op een eerder moment. Op 22 en 25 november 2024 is de politie aan de deur geweest bij [aangeefster] en heeft de politie bij aangeefster geen letsel gezien. Er is daarbij gekeken naar haar rug en haar gezicht. Gelet op het voorgaande, kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte het letsel zoals aangeefster dit op 26 november 2024 heeft getoond bij de politie door de verdachte is toegebracht. Daarom zal de rechtbank de verdachte van dit deel van de verdenking vrijspreken.
Levensgezel?
Bij de beoordeling of sprake is van een levensgezel als bedoeld in artikel 304, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn de volgende aspecten van belang:
- of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding;
- de duur van de gemeenschappelijke huishouding;
- of er een relatie van affectieve aard is, en met name;
- of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.
Doorslaggevend is in het begrip levensgezel evenwel, als gezegd, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat wil sprake zijn van een levensgezel, de bewijsmiddelen voldoende moeten inhouden over de aard en hechtheid van de relatie.
In dit geval was er sinds enkele maanden sprake van een relatie tussen de verdachte en [aangeefster], maar woonden beiden in een eigen woning. Noch uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken van een gehechtheid op grond waarvan sprake kan zijn van een levensgezel, zodat de verdachte in zoverre wordt vrijgesproken.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 21 augustus 2024 te 's-Gravenhage, [aangeefster], heeft mishandeld door die [aangeefster] meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een taakstraf van beperkte duur, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van mevrouw [aangeefster] door meermaals tegen haar hoofd en lichaam te slaan. Door zo te handelen heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [aangeefster]. Daarbij komt dat de verdachte en [aangeefster] een (affectieve) relatie hadden met elkaar en [aangeefster] in haar eigen huis is mishandeld, een plek waar zij zich bij uitstek veilig had moeten voelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort delicten nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische en fysieke gevolgen van hetgeen hen is aangedaan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad uit Nederland van de verdachte van 19 februari 2025 en het strafblad uit Aruba van 30 januari 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder is veroordeeld voor (ernstige) geweldsdelicten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 20 mei 2025 en de Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 7 november 2025. Uit laatstgenoemd rapport blijkt dat de verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek en dat er sprake was van onvolledige dossierinformatie, zodat de onderzoekers niet zijn gekomen tot actuele diagnostische conclusies. Tijdens het verblijf in het PBC werden er geen problemen met de agressieregulatie geobserveerd.
Conclusie
De rechtbank zal in strafverzwarende zin rekening houden met de recidive van de verdachte.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 100 uur passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde geldbedrag zal worden teruggegeven aan de verdachte.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde geldbedrag zal worden teruggegeven aan de verdachte.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 2.800,-.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de duur van
100 (honderd) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
50 (vijftig) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 (twee) uren per dag;
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 2.800,00 EUR Geld Euro met voorwerpnummer 3241273.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Dantuma-Hieronymus, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. H.G. Egter van Wissekerke, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.K.M. Hanssen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2026.