Eiseres diende op 26 september 2024 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid. De minister wees deze aanvraag op 9 april 2025 af. Eiseres maakte bezwaar, maar dit bezwaar werd door de minister niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet binnen de gestelde termijn haar bezwaarschrift met gronden had aangevuld.
De minister stuurde op 22 mei 2025 een herstelverzuimbrief via twee e-mails naar eiseres, die toegang tot de bestandenpostbus moesten verschaffen. Eiseres ontving volgens eigen zeggen alleen de e-mail met het wachtwoord, niet de e-mail met de link. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat beide e-mails zijn verzonden, onder meer door een schermafbeelding van de verzendadministratie.
Eiseres heeft onvoldoende feiten gesteld om de ontvangst van de herstelverzuimbrief te ontzenuwen en heeft ook geen contact gezocht met de minister over de vermeende ontbrekende link. De rechtbank concludeert dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.