Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13929

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
C/09/697952 / HA ZA 26-93
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Brussel I bis-VoArt. 7 lid 1 onder a Brussel I bis-VoArt. 17-19 Brussel I bis-VoArt. 29 Brussel I bis-VoArt. 337 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale bevoegdheid rechtbank bij geschil over terugbetaling geldlening tussen Nederlandse en Portugese partijen

In deze zaak vordert [partij A] B.V. betaling van € 75.000 van [partij B], die in Portugal woont, wegens een niet-terugbetaalde geldlening voor woningrenovatie. [partij B] betwist de Nederlandse bevoegdheid en stelt dat de Portugese rechter bevoegd is, mede omdat de overeenkomst met haar ex-partner is gesloten en er een mediationprocedure in Portugal loopt.

De rechtbank beoordeelt de internationale bevoegdheid aan de hand van de Brussel I bis-Verordening. Hoewel de hoofdregel is dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is, kan op grond van artikel 7 lid 1 onder Pro a Brussel I bis-Vo de rechter van de plaats van uitvoering bevoegd zijn. De rechtbank stelt vast dat de plaats van uitvoering in Nederland is, omdat de geldlening door [partij A] in Nederland is verstrekt en Nederlands recht van toepassing is.

De rechtbank verwerpt het verweer dat [partij B] als consument handelt onder de beschermende bepalingen van Brussel I bis-Vo, omdat onvoldoende is gesteld dat [partij A] commerciële activiteiten in Portugal ontplooit. Ook het beroep op litispendentie wordt afgewezen omdat de procedures niet tussen dezelfde partijen zijn.

Het verzoek tot tussentijds hoger beroep wordt afgewezen wegens gebrek aan bijzondere procesrechtelijke redenen. De proceskosten worden gecompenseerd. De rechtbank verklaart zich internationaal bevoegd en wijst het incident tot onbevoegdheid af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich internationaal bevoegd en wijst het incident tot onbevoegdheid af.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer/rolnummer C/09/697952 / HA ZA 26-93
Vonnis in incident van 27 mei 2026
in de zaak van
[partij A] B.V.te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. B.M. van Werven te Amsterdam,
tegen
[partij B]te [woonplaats] , [land] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. J.G.J. Elslo te Utrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 september 2025, met zeven producties;
- in incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met een productie;
- de antwoordconclusie in het incident van [partij A] , met twee producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil in het hoofdzaak en in het incident

2.1.
[partij A] vordert in de hoofdzaak betaling van een hoofdsom van € 75.000, te vermeerderen met wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.2.
Hieraan legt [partij A] , samengevat, ten grondslag dat zij aan [partij B] € 75.000 heeft geleend voor de renovatie van een huis en een appartement in [land] en dat [partij B] in gebreke is gebleven met de terugbetaling daarvan. Volgens [partij A] is rechtbank (internationaal) bevoegd om het geschil te beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 onder Pro a van de Brussel I-bis Verordening (hierna: Brussel I bis-Vo) [1] . Op grond van deze bepaling is bevoegd de rechter van de plaats waar de verbintenis die aan de vordering ten grondslag ligt moet worden uitgevoerd. Naar Nederlands recht geldt als hoofdregel dat een geldschuld moet worden betaald aan de woon- of vestigingsplaats van de schuldeiser. Nu [partij A] in [plaats] is gevestigd, is de plaats van uitvoering van de verbintenis [plaats] .
2.3.
[partij B] vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en [partij A] veroordeelt in de kosten van de procedure.
2.4.
[partij B] voert hiertoe aan dat aangezien zij in [land] woont, op grond van de hoofdregel van artikel 4 Brussel Pro I bis Vo. de Portugese rechter bevoegd is. Volgens [partij B] is de geldleningovereenkomst niet gesloten met [partij A] , maar met haar ex-partner [naam] (hierna: [naam] ) zelf en is daarop Portugees recht van toepassing. Als [partij A] toch als geldlener moet worden aangemerkt, geldt dat [partij B] de overeenkomst heeft gesloten als consument in de zin van de artikelen 17-19 Brussel I bis-Vo, zodat op die grond ook in dat geval de Portugese rechter bevoegd is. Verder is nog van belang dat er in [land] een mediationtraject over de financiële afwikkeling van de affectieve relatie loopt. Op korte termijn zullen [partij B] en [naam] zich tot de Portugese rechter wenden om een en ander te formaliseren. In dat geval dient de Nederlandse rechter zich onbevoegd te verklaren dan wel de zaak aan te houden vanwege litispendentie (artikel 29 Brussel Pro I bis-Vo).
2.5.
[partij A] concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering.
2.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.De beoordeling in het incident

Is de rechtbank internationaal bevoegd?
3.1.
Zoals partijen ook hebben onderkend, moet internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in deze zaak worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I bis-Vo. Volgens de hoofdregel van artikel 4 Brussel Pro I bis-Vo is de rechter bevoegd van de lidstaat waar de gedaagde woonplaats heeft, dat is in dit geval [land] . Daarnaast biedt de Brussel I bis-Vo een aantal alternatieve bevoegdheidsgronden.
3.2.
De rechtbank stelt voorop dat zij bij beantwoording van de bevoegdheidsvraag op basis van de Brussel I bis-Vo alle haar ter beschikking staande relevante gegevens in ogenschouw dient te nemen, waaronder, in voorkomend geval, de betwistingen van gedaagde. Voor de toetsing in het kader van de bevoegdheid hoeft de rechtbank echter geen uitgebreide bewijsprocedure te voeren met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als in de hoofdzaak relevant zijn. Hieruit volgt dat de rechter zich bij de beantwoording van de bevoegdheidsvraag kan beperken tot een summierlijk oordeel. [2]
3.3.
Partijen zijn het erover eens dat [partij B] € 75.000 (in tranches) heeft geleend voor de verbouwing van haar woning in [land] . Evenmin is in geschil dat de bedragen tussen 8 oktober 2021 en 8 november 2022 door [partij A] zijn overgemaakt op buitenlandse bankrekeningen van [partij B] en dat [partij A] de holdingvennootschap is van [naam] , de ex-partner van [partij B] . De geldleningsovereenkomst is niet op schrift gesteld. Bij deze stand van zaken merkt de rechtbank in dit incident [partij A] , die [partij B] de geleende bedragen verstrekte, aan als de geldlener. Omdat de geleende bedragen aan [partij B] zijn verstrekt door [partij A] merkt de rechtbank haar in dit incident aan als haar wederpartij.
3.4.
Vervolgens is aan de orde of [partij B] de overeenkomst is aangegaan als consument als bedoeld in Afdeling 4 van Brussel I Bis-Vo, zodat [partij B] voor de Portugese rechter moet worden opgeroepen.
3.5.
Afdeling 4 van Brussel I bis-Vo is van toepassing indien is voldaan aan drie voorwaarden, te weten, in de eerste plaats dat een contractpartij een consument is die handelt in een kader dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd; in de tweede plaats dat de overeenkomst tussen deze consument en een beroepsbeoefenaar daadwerkelijk is gesloten, en in de derde plaats dat een dergelijke overeenkomst valt onder een van de in lid 1, onder a tot en met c, van artikel 17 Brussel Pro I-bis bedoelde categorieën. Dit zijn cumulatieve voorwaarden, zodat wanneer aan een van de drie voorwaarden niet is voldaan, de bevoegdheid niet kan worden vastgesteld volgens de regels inzake door consumenten gesloten overeenkomsten. [3]
3.6.
[partij B] heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat [partij A] commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in [land] , althans zich richt op de Portugese markt, zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 onder Pro c Brussel I bis-Vo. De enkele door [partij B] gestelde omstandigheid dat [partij A] een geldlening is aangegaan met in [land] wonende consument is daarvoor ontoereikend. Het geschil valt ook niet onder de in artikel 17 lid 1 onder Pro a en b genoemde categorieën zaken. Er is dus geen sprake van een overeenkomst waarop Afdeling 4 van Brussel I Bis-Vo van toepassing is.
3.7.
Met [partij A] is de rechtbank van oordeel dat zij aan artikel 7 Brussel Pro I bis-Vo internationale bevoegdheid kan ontlenen, gelet op het volgende.
3.8.
Allereerst moet worden bezien of de geldlening een ‘verstrekte dienst’ is in de zin van artikel 7 lid 1 onder Pro b Brussel I bis-Vo. Deze bepaling is bij geldleningen van toepassing voor professionele kredietverstrekking tegen een rentevergoeding, waarvan in dit geen sprake lijkt te zijn. [4]
3.9.
De rechtbank kan echter aan artikel 7 lid 1 onder Pro a Brussel I bis-Vo bevoegdheid ontlenen, gelet op het volgende. De vordering van [partij A] is gebaseerd op een verbintenis tot terugbetaling van een geldlening. De plaats waar die verbintenis moet worden uitgevoerd, moet op grond van artikel 7 lid 1 onder Pro a Brussel I bis-Vo worden bepaald aan de hand van het materiële recht dat volgens de regels van internationaal privaatrecht van de aangezochte rechter op de overeenkomst van toepassing is. [5]
3.10.
Het toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van de verordening Rome I. [6] Partijen hebben geen rechtskeuze gemaakt. Op grond van artikel 4 lid 2 Rome Pro I geldt als uitgangspunt dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft. De kenmerkende prestatie bij een overeenkomst van geldlening wordt geleverd door degene die het geld uitleent, in dit geval [partij A] Het uitgangspunt is dus dat de overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht, op grond waarvan (terug)betaling moet plaatsvinden aan de vestigingsplaats van [partij A] (artikelen 6:116 lid 1 BW en 6:118 BW). Dit is dan ook (naar Nederlands recht) de plaats waar de aan eis ten grondslag liggende verbintenis moet worden uitgevoerd (in de zin van artikel 7 lid 1 onder Pro a Brussel I bis-Vo).
3.11.
Volgens [partij B] is echter niet Nederlands recht van toepassing, maar Portugees recht, omdat uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijke nauwere band heeft met [land] (artikel 4 lid 3 Rome Pro I). Niet gesteld of gebleken is echter dat terugbetaling van de geldlening naar Portugees recht moet plaatsvinden op een andere plaats dan naar Nederlands recht. In het incident kan dus midden blijven of Nederlands of Portugees recht van toepassing is.
3.12.
Het beroep van [partij B] op litispendentie (artikel 29 Brussel Pro I bis-Vo) moet ook worden verworpen. [partij B] stelt dat er tussen haar en [naam] in [land] een procedure zal worden aangebracht waarin de geldlening zal worden betrokken. Als dat zo is, is er geen sprake is van twee procedures tussen dezelfde partijen als bedoeld in artikel 29 Brussel Pro I bis-Vo.
3.13.
De slotsom is dat de rechtbank internationaal bevoegd is om op de hoofdzaak te beslissen. De incidentele vordering zal dus worden afgewezen.
Tussentijds hoger beroep?
3.14.
Voor het geval de rechtbank beslist dat zij bevoegd is van de vorderingen van [partij A] kennis te nemen, verzoekt [partij B] tussentijds hoger beroep van dit vonnis open te stellen. Zij betoogt daartoe, samengevat, dat het om redenen van proceseconomie wenselijk is om eerst over de bevoegdheid te beslissen, voordat de inhoudelijke behandeling plaatsvindt. [partij A] bestrijdt de gegrondheid van dit verzoek.
3.15.
Op grond van artikel 337 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt als uitgangspunt dat van een tussenvonnis zoals hier aan de orde, hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld. Dit heeft als reden dat het tussentijds aanwenden van rechtsmiddelen leidt tot vertraging van de procedure en daarom als regel achterwege dient te blijven. Processuele doelmatigheid is in beginsel geen grond voor een uitzondering op deze hoofdregel. [7] Voor een zodanige uitzondering is - met het oog op de rechtszekerheid - slechts ruimte indien bijzondere procesrechtelijke redenen daartoe nopen. In dit geval ziet de rechtbank dergelijke bijzondere redenen niet. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Proceskosten
3.16.
Aangezien [naam] en [partij B] ex-partners zijn en de geldlening daarmee verband houdt, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af;
4.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de zaak naar de rol van
8 juli 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van [partij B] ;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
Type: 1554

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europese Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PbEU 2012, L 351/1).
2.HvJ EU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa /Barclays Bank, punt 58-65; HvJ EU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449, Universal Music/ Schilling, punt 42-46.
3.HvJ EU ECLI:EU:C:2013:1650, Česká spořitelna, punt 30.
4.HvJEU 15 juni 2017, ECLI:EU:C:2017:472 (Saale Kareda/Stefan Benkö.
5.HvJ EU 6 oktober 1976, ECLI:EU:C:1976:133.
6.Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Rome, 19 juni 1980 (EVO).
7.HR 14 juli 2006, ECLI:NL:2006:AV9442.