ECLI:NL:RBDHA:2026:13972
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublinverordening
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Tevens heeft zij meerdere verzoeken om voorlopige voorziening ingediend om haar overdracht aan Polen te voorkomen.
De rechtbank heeft het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting behandeld. Uit de procedure blijkt dat verzoekster op de geplande overdrachtsdatum als 'met onbekende bestemming vertrokken' is gemeld. Hierdoor kan de overdracht niet binnen de oorspronkelijke termijn plaatsvinden en wordt de overdrachtstermijn verlengd tot achttien maanden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster hierdoor geen spoedeisend belang meer heeft bij de gevraagde voorziening. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om overdracht aan Polen te voorkomen wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.