Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14027

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
25/2064
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.9 WhtArt. 47 AwirArt. 9.1 lid 1 WhtArt. 30 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herbeoordeling kinderopvangtoeslag toeslagjaren 2006-2012 wegens ontbreken compensatiegrond

Eiseres heeft een verzoek ingediend tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2006 tot en met 2016, waarbij in overleg alleen de jaren 2006 tot en met 2012 zijn beoordeeld. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie van €30.000. De Commissie van Wijzen concludeerde dat er geen sprake was van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het systeem.

Eiseres stelde dat het besluit onzorgvuldig was omdat een brief uit 2014 niet was betrokken en dat voorschotten onterecht waren verrekend. De rechtbank oordeelde dat de voorschotten in 2010 en 2011 deels niet aan eiseres waren uitbetaald, maar dat verweerder mocht uitgaan van de eigen administratie. Ook was de verrekening op grond van artikel 30 Awir Pro toegestaan. Voor de jaren 2008 en 2009 was geen aanspraak op toeslag omdat geen opvang had plaatsgevonden.

De rechtbank overwoog dat compensatie op grond van de Wet Hersteloperatie Toeslagen (Wht) alleen wordt toegekend bij institutionele vooringenomenheid of hardheid van het systeem, wat hier niet is vastgesteld. Ook het beroep op de hardheidsclausule van artikel 47 Awir Pro en artikel 2.9 Wht faalde, omdat deze niet van toepassing zijn of geen amvb bestaat. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek tot herbeoordeling van kinderopvangtoeslag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2064

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft met de besluiten van 24 februari 2022 en 11 juli 2022 bepaald dat eiseres niet voor compensatie in aanmerking komt. Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft een verzoek gedaan tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2006 tot en met 2016. In overleg met eiseres zijn alleen de toeslagjaren 2006 tot en met 2012 beoordeeld. Met het besluit van 24 februari 2022 heeft verweerder geoordeeld dat eiseres op basis van de eerste toets niet in aanmerking komt voor
€ 30.000. De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft vervolgens geadviseerd over het verzoek van eiseres. De CvW kwam tot de conclusie dat gedurende de toeslagjaren 2006 tot en met 2012 geen sprake is geweest van vooringenomen handelen of hardheid van het systeem. Met het besluit van 11 juli 2022 is bepaald dat eiseres geen compensatie ontvangt voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2012. Met het besluit van 11 juli 2022 is bepaald dat er verder ook geen recht bestaat op tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2012. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen alle drie de primaire besluiten. Verweerder heeft de bezwaren verder gezamenlijk behandeld en één beslissing op bezwaar genomen.
Wat vindt eiseres?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat de brief van eiseres van 18 juli 2014 niet is betrokken. Verder stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat de voorschotten van 2010 en 2011 zijn verrekening met de jaren 2008, 2009 en 2010. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de voorschotten niet aan haar zijn uitbetaald en deze dan dus ook niet mochten worden verrekend met andere toeslagen. Voor de toeslagenjaren 2010 en 2011 geldt dat verweerder voorschotten KOT [1] (deels) heeft verrekend met andere toeslagen waar zij recht op had. Volgens eiseres had verweerder de KOT op grond van artikel 30 van Pro de Awir [2] niet mogen verrekenen met andere toeslagen. Artikel 30 van Pro de Awir ziet op die situaties waarin de voorschotbetaling al heeft plaatsgevonden. In het geval van eiseres was in 2010 geen sprake van evident recht op KOT en waren de voorschotten niet volledig uitbetaald aan eiseres. In 2011 had eiseres slechts evident recht op KOT over de maanden maart, april, mei en juni. Maar de uitbetalingen van die voorschotbedragen in 2011 zijn eveneens uitgebleven. Verweerder is verder niet ingegaan op deze verrekeningen, het besluit is dan ook onzorgvuldig genomen. Eiseres doet verder nog een beroep op artikel 2.9. van de Wet Hersteloperatie Toeslagen en artikel 47 van Pro de Awir.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Wettelijk kader
4. Compensatie op grond van de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wht wordt toegekend indien sprake is van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of hardheid van het wettelijk systeem. Bij institutionele vooringenomenheid gaat het blijkens de wetsgeschiedenis om:
-een collectieve stopzetting van de KOT zonder voorafgaande individuele beoordeling;
-het opvragen bij een belanghebbende van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren;
-gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen, en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijking van de aanspraak KOT was gevonden;
-het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op KOT bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken.
Van hardheid van het stelsel is sprake als de KOT op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van de KOT heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de KOT geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden als de terugvordering het gevolg is van minder afgenomen uren kinderopvang.
Toeslagenjaren 2008, 2009
5. In zowel het toeslagjaar 2008 als 2009 heeft een neerwaartse correctie plaatsgevonden waarmee het bedrag op nihil is gesteld omdat er in die twee jaar geen gebruik is gemaakt van kinderopvang.
5.1.
Eiseres heeft meerdere keren erkend dat in de jaren 2008 en 2009 inderdaad geen opvang heeft plaatsgevonden door (geregistreerde) kinderopvang. Als er geen opvang is genoten, bestaat er geen aanspraak op kinderopvangtoeslag. Dat betekent dat er geen sprake kan zijn van door eiseres geleden schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Eiseres voldoet niet aan de vereisten voor compensatie. Dat over deze jaren een terugvordering van kinderopvangtoeslag heeft plaatsgevonden, is niet het gevolg van institutionele vooringenomenheid of van hardheid.
Toeslagjaar 2010
6. Voor het toeslagjaar 2010 geldt dat er meerdere neerwaartse correcties hebben plaatsgevonden. Met de laatste correctie is de KOT op nihil is gesteld. Verweerder heeft op 8 december 2010 in het kader van een toezichtactie contact gezocht met de kinderopvanginstelling waar kinderopvang zou worden afgenomen. Uit dit contact is gebleken dat de ouder nooit kinderopvang heeft afgenomen in het toeslagjaar 2010. Dit is ook bevestigd door eiseres in zowel bezwaar als in beroep. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 5.1. van deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat als er geen opvang is genoten er dan ook geen aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag. Dat betekent dat er geen sprake kan zijn van door eiseres geleden schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Eiseres voldoet niet aan de vereisten voor compensatie.
6.1.
Voor zover eiseres stelt dat zij nooit daadwerkelijk KOT heeft ontvangen merkt de rechtbank het volgende op. Uit de administratie van verweerder (de LIC [3] -lijst) blijkt dat er een bedrag van € 29.517 is uitbetaald op het bankrekeningnummer van eiseres. Zij heeft het bankrekeningrekeningnummer eindigend op 279 zelf doorgegeven. De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de gegevens in het LIC. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat verweerder hier niet van kon uitgaan. Voor zover eiseres verwijst naar een brief van de Belastingdienst uit 2014 waar zij met de hand op heeft geschreven dat zij de toeslag niet ontvangen heeft, merkt de rechtbank op dat de enkele opmerking op deze brief onvoldoende is om te twijfelen aan de registratie van verweerder. Hierbij weegt de rechtbank mee dat eiseres destijds nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten tot nihilstelling en terugvordering. Zij heeft zelf wel steeds wijzigingen in het aantal uren en de tarieven doorgegeven aan verweerder. Het had dan ook op haar weg gelegen hierbij ook aan te geven dat zij de bedragen feitelijk niet zou hebben ontvangen.
Toeslagjaar 2011
7. Door verweerder is geconstateerd dat eiseres in het toeslagjaar 2011 slechts gebruik heeft gemaakt van de kinderopvang in de periode van 16 maart 2011 tot 1 juli 2011. Verweerder heeft de KOT dan ook neerwaarts gecorrigeerd en uiteindelijk vastgesteld op
€ 2.226. Eiseres heeft erkend dat zij alleen in de maanden maart tot juli gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Gelet hierop was de terugvordering over 2011 het gevolg van een afwijking tussen de uren op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag was berekend en het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang. Uit de Memorie van toelichting volgt dat deze omstandigheid geen reden is om hardheid van het wettelijk systeem aan te nemen noch is er in dat geval sprake van vooringenomen handelen [4] . Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder dan ook overgaan tot terugvordering.
7.1.
De rechtbank merkt nog op dat het voorschot over 2011 niet daadwerkelijk is uitbetaald aan eiseres maar is verrekend met de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag voor de toeslagjaren 2009 en 2010. De terugvordering van de kinderopvangtoeslag 2011 is vervolgens verrekend met onder andere de huurtoeslag. Verweerder heeft dit gedaan op grond van artikel 30, eerste lid, van de Awir. Op zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven inmiddels te begrijpen dat deze wijze van verrekenen is toegestaan. Dit punt staat dan ook niet langer ter discussie.
Artikel 2.9 van de Wht
8. Artikel 2.9. van de Wht bepaalt dat een bijzondere tegemoetkoming kan worden toegekend in bij algemene maatregel van bestuur (amvb) aan te wijzen gevallen. Op dit moment bestaat een dergelijke amvb echter (nog) niet. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat eiseres geen geslaagd beroep kan doen op artikel 2.9. van de Wht.
Artikel 47 van Pro de Awir
9. Eiseres heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule uit artikel 47 van Pro de Awir. De rechtbank merkt hierover op dat het in deze zaak gaat om de vraag of eiseres aanspraak kan maken op compensatie op grond van de Wht. De hardheidsclausule van artikel 47 van Pro de Awir ziet echter alleen op de gevallen die zien op de toepassing van de Awir, de daarop rustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling. Daar valt compensatie op grond van de Wht niet onder.
Artikel 9.1 lid 1 van de Wht
10. Voor zover eiseres bedoeld heeft om ook een beroep te doen op de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht overweegt de rechtbank dat deze bepaling alleen van toepassing is indien sprake is van onbillijkheden van overwegende aard die voortvloeien uit de hardheid van het wettelijke systeem zoals dat gold tot 23 oktober 2019. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat eiseres financiële moeilijkheden heeft ondervonden door de verrekeningen onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van dergelijke onbillijkheden. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd waarom de toepassing van de wet in haar geval disproportioneel hard zou zijn.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kinderopvangtoeslag.
2.Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
3.Landelijk Incasso Centrum.
4.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.71.