ECLI:NL:RBDHA:2026:14032

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/697801 / FA RK 26-424
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging omgangsrecht vader wegens lopend strafrechtelijk onderzoek en raadsonderzoek

Partijen zijn gehuwd sinds 2019 en gezamenlijk gezagdragend over hun minderjarige kind, geboren in 2020. De vader is in voorlopige hechtenis op verdenking van ernstige strafbare feiten, waaronder mensenhandel en opzetverkrachting. De moeder stelt dat het huwelijk werd gekenmerkt door fysiek, seksueel en psychisch geweld en verzoekt om ontzegging van het omgangsrecht.

De rechtbank acht het belang van het kind voorop en oordeelt dat gezien de complexiteit en het lopende strafrechtelijk onderzoek eerst een grondig onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk is. De omgangsrecht wordt voorlopig ontzegd totdat de veiligheid van het kind en de moeder kan worden gewaarborgd.

Daarnaast wordt bepaald dat de vader geen informatie mag ontvangen over de verblijfplaats van het kind en dat derden deze informatie ook niet mogen verstrekken. De moeder zal de vader eenmaal per maand informeren over het welzijn van het kind. Verzoeken tot afgifte van paspoorten en vervangende toestemming voor een NIKA-traject zijn ingetrokken.

De Raad wordt opgedragen een MASIC-onderzoek uit te voeren en te rapporteren over de veiligheidssituatie, opvoedingsgeschiktheid en de voorwaarden waaronder omgang verantwoord kan plaatsvinden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en wordt gelijktijdig ingebracht in de echtscheidingsprocedure.

Uitkomst: De rechtbank ontzegt de vader het omgangsrecht met het kind en beveelt een raadsonderzoek om veiligheid en omgangsvoorwaarden te beoordelen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-424
Zaaknummer: C/09/697801
Datum beschikking: 28 april 2026

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 12 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Sazoglu te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.A. Hoogendijk te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het bericht van 2 februari 2026, met bijlage, van de vader;
- het bericht van 18 maart 2026, met bijlage, van de vader;
- het bericht van 25 maart 2026 van de moeder;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het bericht van 27 maart 2026 van de vader.
Op 31 maart is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat en een tolk, mevrouw J.N. Bekker-Ouwendijk;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het bericht van 3 april 2026 van de moeder.

Feiten

- Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2019.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , [land] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder de Macedonische nationaliteit.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt te bepalen dat er een voorlopige zorgregeling, zoals in het lichaam van het verzoekschrift verzocht, wordt vastgesteld, althans een zodanige regeling wordt vastgesteld als de rechtbank juist en redelijk acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig:
primair
te bepalen dat aan de vader het recht op omgang met [de minderjarige] wordt ontzegd voor de duur van het lopende strafrechtelijk onderzoek;
subsidiair
indien en voor zover de rechtbank het primaire verzoek niet toewijst, te bepalen dat:
a. de Raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht, met toepassing van de MASIC (of een vergelijkbaar risicotaxatie-instrument), een onderzoek in te stellen naar onder meer:
• de veiligheidssituatie van [de minderjarige] en de moeder, waaronder een beoordeling of sprake is (geweest) van dwingende controle, psychisch of lichamelijk geweld, mogelijke signalen van seksueel misbruik, dan wel andere vormen van
(ex-)partnergeweld, alsmede de impact hiervan op beiden;
• de opvoedingsvaardigheden en de opvoedingsgeschiktheid van de vader, mede in het licht van eventuele door een MASIC-analyse vastgestelde risico’s of gedragspatronen, in het bijzonder voor zover deze relevant zijn voor de fysieke, emotionele en seksuele veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] ;
• de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, omgang in de toekomst verantwoord kan plaatsvinden, waarbij wordt meegewogen welke veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn, of (intensieve) begeleiding vereist is, en in hoeverre de bevindingen van een MASIC-analyse en het lopende strafrechtelijke onderzoek bepalend zijn voor het al dan niet tot stand komen van (begeleide) omgang;
een (voorlopige) zorgregeling wordt aangehouden totdat de resultaten van het onderzoek beschikbaar zijn en de veiligheid van zowel de moeder als [de minderjarige] voldoende kan worden gewaarborgd;
te bepalen dat de vader het Nederlandse en Macedonische paspoort van [de minderjarige] binnen zeven dagen na ontvangst van de beschikking aan de moeder dient af te geven, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vader hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-;
te bepalen dat op grond van artikel 1:253a lid 2 onder c en d BW, aan de vader geen enkele informatie wordt verstrekt die betrekking heeft op [de minderjarige] , waaruit haar verblijfplaats, adresgegevens of andere locatiegegevens kunnen worden afgeleid, en dat derden, waaronder maar niet beperkt tot de school, buitenschoolse opvang, medische instanties, hulpverleners, Veilig Thuis en de opvang, evenmin enige informatie over [de minderjarige] aan de vader mogen verstrekken die direct of indirect inzicht geeft in de verblijfplaats, adresgegevens of andere locatiegegevens van [de minderjarige] , totdat de veiligheidsrisico’s zijn beoordeeld en de veiligheid van de moeder en [de minderjarige] kan worden gewaarborgd;
aan de moeder vervangende toestemming te verlenen, welke de toestemming van de vader vervangt, voor het inzetten van een NIKA-traject en traumabehandeling ten behoeve van [de minderjarige] ,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Zorgregeling
Partijen hebben elkaar ruim tien jaar geleden online leren kennen en zijn in 2019 met elkaar gehuwd. De vader stelt zich op het standpunt dat het een open huwelijk was waarbij de moeder kortstondige relaties met andere mannen heeft gehad. Dit heeft volgens de vader kort geleden tot onenigheid geleid. Na het huisartsbezoek van moeder van 8 december 2025 heeft de vader [de minderjarige] niet meer heeft gezien. Op dit moment verblijft de vader in voorlopige hechtenis en het is nog onduidelijk hoe lang dat nog zal duren. De vader begrijpt daarom dat de door hem verzochte zorgregeling niet haalbaar is. Daarentegen wenst de vader wel enige vorm van contact met [de minderjarige] te hebben. Volgens de vader moet worden onderzocht welke vorm van omgang met de vader in het belang van [de minderjarige] is. De vader heeft dan ook op de zitting aangegeven dat hij bereid is mee te werken aan een raadsonderzoek.
De moeder betwist hetgeen de vader stelt en geeft aan dat geen sprake was van een vrijwillig open huwelijk. De moeder verklaart dat het huwelijk van partijen werd gekenmerkt door fysiek, seksueel en psychisch geweld, controlerend gedrag en dat zij gedurende het huwelijk door de vader gedwongen werd tot het verrichten van seksuele handelingen bij andere mannen. Op 8 december 2025 is de moeder na een escalatie bij de huisarts samen met [de minderjarige] door de politie met code rood naar een vrouwenopvang overgebracht. Eind december 2025 heeft de moeder aangifte tegen de vader gedaan. Vervolgens is de vader op 22 maart 2026 op verdenking van mensenhandel, opzetverkrachting en het bezit en verspreiden van kinderporno aangehouden. Sindsdien verblijft de vader in voorlopige hechtenis en het is onduidelijk hoe lang hij nog zal vastzitten. Volgens de moeder is het van belang dat onderzocht wordt wat er zich in het verleden tussen partijen heeft afgespeeld en in welke mate [de minderjarige] hierbij betrokken was. Omdat hierover nog veel onduidelijkheid bestaat en de vader in voorlopige hechtenis verblijft, moet de omgang volgens de moeder op dit moment te worden ontzegd. In het geval opdracht wordt gegeven aan de Raad om een onderzoek te verrichten, verzoekt de moeder onderzoek te doen in de vorm van de MASIC (Mediator's Assessment of Safety Issues and Concerns).
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de rechtbank het in beginsel in het belang van een kind acht om met beide ouders contact te hebben, is de rechtbank van oordeel dat er in onderhavige procedure – gelet op hetgeen door de moeder is gesteld en de voorlopige hechtenis van de vader – eerst zicht moet komen op de situatie. De rechtbank acht zich vanwege de complexiteit van deze zaak op dit moment namelijk onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen over een regeling. De rechtbank kan met de huidige stand van zaken dan ook niet bepalen of omgang met de vader in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht en zo ja, hoe de omgang eruit dient te zien en wat er nodig is om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen in het contact met de vader. De rechtbank zal daarom in deze procedure aan de Raad vragen om een onderzoek te doen en in de
echtscheidingsprocedure met kenmerk C/09/702079 FA RK 26-2935te rapporteren. Met partijen is besproken dat de Raad na onderzoek antwoord moet proberen te geven op de volgende vragen:
welke gezagssituatie is het meest in het belang van [de minderjarige] ?
is omgang met de vader in het belang van [de minderjarige] , en zo ja, op welke wijze kan er veilig omgang tussen [de minderjarige] en de vader plaatsvinden?
is verdere hulpverlening voor de ouders en/of [de minderjarige] noodzakelijk, en zo ja, welke?
Gelet op hetgeen door de moeder is gesteld en het lopende strafrechtelijk onderzoek naar de vader geeft de rechtbank de Raad mee onderzoek te doen in de vorm van de MASIC, dan wel een vergelijkbaar risicotaxatie-instrument.
In al het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de omgang tussen de vader en [de minderjarige] in ieder geval in afwachting van het raadsonderzoek te ontzeggen. De rechtbank verbindt geen termijnen aan de ontzegging. Een ontzegging van het recht op omgang tussen ouder en kind heeft namelijk volgens vaste jurisprudentie een in tijd beperkt karakter. In ieder geval kan na een periode van een jaar, of als de omstandigheden wijzigen ook eerder, een nieuw verzoek tot vaststelling van de omgang worden ingediend (zie HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045).
Informatieregeling
De moeder verzoekt te bepalen dat op geen enkele wijze informatie ten aanzien van de verblijfplaats van [de minderjarige] aan de vader wordt verstrekt totdat de veiligheidsrisico’s zijn beoordeeld en de veiligheid van [de minderjarige] en de moeder kan worden gewaarborgd. De vader heeft hier geen verweer tegen gevoerd en partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat de moeder – met tussenkomst van haar advocaat of hulpverlening – de vader eenmaal per maand zal informeren over hoe het met [de minderjarige] gaat. De rechtbank zal de door partijen overeengekomen informatieregeling vastleggen, nu niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich hiertegen verzet.
Afgifte paspoorten
Bij bericht van 3 april 2026 heeft de moeder haar verzoek over de afgifte van het Nederlandse en Macedonische paspoort op straffe van een dwangsom ingetrokken, nu zij – zoals afgesproken tijdens de mondelinge behandeling – inmiddels over het Nederlandse paspoort van [de minderjarige] beschikt. Om deze reden hoeft op dit verzoek niet meer te worden beslist.
Vervangende toestemming NIKA-traject
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling het benodigde toestemmingsformulier voor deelname aan het NIKA-traject en traumabehandeling voor [de minderjarige] ingevuld en verklaard dat hij onvoorwaardelijk zijn toestemming verleend voor voornoemd traject. De rechtbank beschouwt het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming daarom als ingetrokken.

Beslissing

De rechtbank:
*
ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , [land] ;
*
bepaalt dat aan de vader geen enkele informatie wordt verstrekt die betrekking heeft op [de minderjarige] , waaruit haar verblijfplaats, adresgegevens of andere locatiegegevens kunnen worden afgeleid, en dat derden, waaronder maar niet beperkt tot de school, buitenschoolse opvang, medische instanties, hulpverleners, Veilig Thuis en de opvang, evenmin enige informatie over [de minderjarige] aan de vader mogen verstrekken die direct of indirect inzicht geeft in de verblijfplaats, adresgegevens of andere locatiegegevens van [de minderjarige] , totdat de veiligheidsrisico’s zijn beoordeeld en de veiligheid van de moeder en [de minderjarige] kan worden gewaarborgd;
*
bepaalt dat de moeder – met tussenkomst van haar advocaat of hulpverlening – de vader eenmaal per maand zal informeren over hoe het met [de minderjarige] gaat;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen in de
echtscheidingsprocedure met kenmerk C/09/702079 FA RK 26-2935; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: 070-7621080 (advocaat vader) en 010-3132200 (advocaat moeder);
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
gelast partijen een kopie van deze beschikking in te brengen in voornoemde echtscheidingsprocedure;
*
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2026.