ECLI:NL:RBDHA:2026:14041

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/684322 / FA RK 25-3166
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgangsregeling en vaststelling kinderalimentatie met ingang van maart 2025

De rechtbank Den Haag behandelde op 9 maart 2026 het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn minderjarige kind en de moeder's verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie. De vader had sinds 2023 geen contact meer met het kind, mede doordat de moeder geen contact wenste en aangifte tegen hem had gedaan. Het kind zelf gaf schriftelijk aan geen contact met de vader te willen.

De rechtbank oordeelde dat er geen aanknopingspunten zijn voor contactherstel, ook niet onder begeleiding, mede gelet op het ontbreken van eerdere serieuze pogingen van de vader en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Het verzoek tot omgangsregeling werd daarom afgewezen.

Ten aanzien van de alimentatie stelde de rechtbank de behoefte van het kind vast op €922 per maand, waarbij de draagkracht van beide ouders werd berekend op basis van hun netto besteedbaar inkomen. De vader werd veroordeeld tot betaling van €400 per maand kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2025, het bedrag dat de moeder had verzocht. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: Verzoek omgangsregeling afgewezen; vader moet vanaf 1 maart 2025 €400 per maand kinderalimentatie betalen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3166
Zaaknummer: C/09/684322
Datum beschikking: 29 april 2026

Omgang en alimentatie

Beschikking op het op 27 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Schnoor te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
ingeschreven op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. M.M.C. van der Sanden te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van de moeder van 24 februari 2026, met bijlagen.
De minderjarige [de minderjarige] heeft schriftelijk haar mening gegeven over het verzoek.
Op 9 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
  • [naam 1] met collega [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de moeder zijn nadere stukken overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de moeder luidt, met ingang van 1 januari 2024 de kinderalimentatie op € 400,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt:
  • de moeder op te dragen de voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen in 2023 en haar draagkracht relevante financiële bescheiden in het geding te brengen, waaronder in elk geval haar jaaropgaven, aangiften en aanslagen 2023 en 2024 en alle loonstroken 2025;
  • met ingang van het eerste weekend na de datum van de beschikking de in randnummer 19 en 20 genoemde omgangs- en vakantieregeling vast te stellen, inhoudende dat [de minderjarige] conform de volgende opbouwregeling bij de vader verblijft:
- twee opeenvolgende weekends een halve dag (op zaterdag of zondag);
- twee opeenvolgende weekends een hele dag (op zaterdag of zondag);
- tweemaal eens per veertien dagen anderhalve dag in het weekend (inclusief) overnachting;
- tweemaal eens per veertien dagen van donderdag uit school tot zondagavond;
- vervolgens om de week van zondagavond tot zondagavond alsmede de helft van de schoolvakanties;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad;
  • Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
  • De vader heeft [de minderjarige] erkend.
  • De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
  • [de minderjarige] staat ingeschreven bij de moeder.

Beoordeling

Omgang
Wettelijk kader
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat uit artikel 1:377a lid 1 BW volgt dat een kind recht op omgang met zijn ouders heeft en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind heeft. Op grond van lid 2 van voormeld artikel kan de rechter op verzoek van (één van) de ouder(s) een omgangsregeling vaststellen of het recht op omgang (tijdelijk) ontzeggen.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft [de minderjarige] niet meer gezien sinds het uiteengaan van de ouders in 2023. De moeder had aangegeven geen enkele vorm van contact met hem te willen en had aangifte tegen hem gedaan. Daarom had hij besloten dat het beter was geen contact te hebben. Inmiddels mist de vader [de minderjarige] . Hij wil werken aan contactherstel en uiteindelijk een co-ouderschapsregeling.
Volgens de moeder zal een omgangsregeling ernstig nadeel opleveren voor [de minderjarige] . Er is al jaren geen contact en de vader kan dan ook niet aansluiten bij haar belevingswereld. [de minderjarige] komt hem wel eens tegen op straat, maar dan doet de vader alsof hij haar niet ziet. Ook heeft zij het gevoel dat de vader haar dakloos heeft gemaakt, omdat de moeder en de kinderen de gezamenlijke woning van partijen niet mogen betrekken. De meerderjarige kinderen van de vader hebben ook geen contact meer met hem. De vader heeft hen fysiek aangevallen, waarna zij geen contact meer met hem hebben opgenomen. De vader heeft bovendien geen vaste woon- of verblijfplaats, zodat de moeder niet inziet hoe hij vorm zal geven aan de door hem verzochte regeling.
Uit de brief van [de minderjarige] blijkt dat zij geen contact wil hebben met haar vader. Zij voelt zich genegeerd door de vader en is gekwetst door zijn acties, zoals het weggooien van haar speelgoed. De rechtbank is niet gebleken dat de vader eerdere serieuze pogingen heeft gedaan om met [de minderjarige] in contact te komen. Tijdens de zitting heeft hij bovendien geen enkele blik van herkenning getoond bij hetgeen [de minderjarige] aan de rechtbank heeft geschreven. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat er onder deze omstandigheden geen aanknopingspunten zijn om, al dan niet met begeleiding, tot contactherstel te komen. De Raad heeft ook aangegeven geen aanleiding voor een Raadsonderzoek te zien. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom afwijzen.
Alimentatie
De vader heeft verzocht de moeder op te dragen nadere stukken in te dienen, alvorens een beslissing te nemen over de alimentatie. De rechtbank overweegt dat zij over voldoende informatie beschikt om een beslissing te kunnen nemen, zodat zij zal overgaan tot de berekening van de onderhoudsbijdrage van de vader en het verzoek van de vader hiertoe zal afwijzen.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 1 maart 2025, omdat de vader bij brief van 10 februari 2025 is verzocht zijn financiële bescheiden te overleggen, zodat hij vanaf dit moment rekening kon houden met een onderhoudsbijdrage.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving in 2023 worden bepaald.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.300,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI tijdens de samenleving op € 2.412,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. De rechtbank gaat hierbij uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 42.000,- bruto per jaar, aangezien de vader op de zitting heeft aangegeven dat dit zijn gemiddelde winst over de jaren 2020 tot en met 2022 was en hij geen jaarstukken over 2023 heeft overgelegd.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van de samenleving op € 2.985,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2023 dus € 5.397,- per maand (€ 2.412,-
+€ 2.985,-
). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 35,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2023, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 779,- per maand voor [de minderjarige] . Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 922,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
De vader stelt dat de moeder naast haar werk bij Ihub ook huishoudelijke werkzaamheden op minstens drie adressen verricht, waarvoor zij zwart wordt betaald, zodat hiermee rekening moet worden gehouden bij de berekening van haar draagkracht.
De rechtbank overweegt dat het, gelet op de betwisting door de moeder, op de weg van de vader had gelegen om stukken in te dienen, waaruit blijkt dat de moeder zwart werkt. Aangezien hij dit niet heeft gedaan, zal de rechtbank voor het inkomen van de moeder uitgaan van de door haar overgelegde jaaropgave over 2025.
Voor zover de vader op de zitting nog heeft gesteld dat hij geen stukken kon indienen, omdat hij geen advocaat meer had, overweegt de rechtbank het volgende. De advocaat van de vader heeft zich al in september 2025 onttrokken, zodat de vader voldoende tijd heeft gehad om een nieuwe advocaat te zoeken en nadere stukken in te dienen. Voor zover de vader zich op het standpunt stelt dat hij geen geld heeft voor een advocaat, overweegt de rechtbank dat hij dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd.
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank daarom uit van een inkomen van € 41.130,- per jaar inclusief vakantiegeld, zoals volgt uit haar jaaropgave 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 3.322,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [€ 3.322,- – (€ 997,- + € 1.310,-)] = € 710,- per maand.
Draagkracht vader
Volgens de vader is zijn winst uit onderneming inmiddels significant minder dan € 42.000,- bruto per jaar, omdat driekwart van zijn klantenkring is weggevallen door nieuwe regelgeving. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader dit onvoldoende onderbouwd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de vader op de zitting heeft aangegeven dat hij bezig is met de overname van de gezamenlijke woning van partijen. Dit staat in schril contrast met het standpunt van de vader dat hij zijn bedrijf zal moeten verkopen om zijn schulden te kunnen voldoen.
Aangezien de vader geen recente jaarstukken heeft overgelegd, zal de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de vader eveneens uitgaan van een gemiddelde winst uit onderneming van € 42.000,- bruto per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 3.007,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Volgens de vader moet rekening worden gehouden met zijn aflossingsverplichtingen ten behoeve van de gezamenlijke woning van partijen en de tijdens de samenleving ontstane belastingschulden van in totaal € 3.788,- per maand. De vader heeft geen stukken overgelegd, waaruit zijn aflossingsverplichting blijkt, zodat de rechtbank hiermee geen rekening kan houden.
Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [ € 3.007,- – (€ 902,- + € 1.310,-)] = € 556,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.266,- per maand (€ 710,- + € 556,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 710 / 1.266 x 922 = € 517,-
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 556 / 1.266 x 922 =
€ 405,-
samen € 922,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 517,- per maand voor rekening van de moeder. Een gedeelte van € 405,- per maand komt voor rekening van de vader.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Aangezien de vader al een aantal jaar geen contact heeft met [de minderjarige] en ook niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verandering zal komen, wordt geen zorgkorting gehanteerd.
Conclusie
Uit de berekening volgt een hoger bedrag dan door de moeder is verzocht. Daarom beperkt de rechtbank de bijdrage tot het verzochte bedrag. De rechtbank zal daarom de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2025 op € 400,- betalen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling;
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 1 maart 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige, [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , van € 400,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 29 april 2026.