ECLI:NL:RBDHA:2026:14042

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/09/686384 / FA RK 25-4202
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.S. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling zorgregeling met hoofdverblijfplaats bij moeder en omgangsregeling vader

De rechtbank Den Haag behandelde op 31 maart 2026 een verzoek tot vaststelling van een zorgregeling voor een minderjarige geboren in 2019. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit en het kind heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. De moeder verzocht om een regeling waarbij het kind bij de vader verblijft op dinsdag vanuit de BSO tot woensdag naar school, elk weekend van vrijdagavond tot zondagavond, en de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg.

De vader voerde mondeling verweer en gaf aan behoefte te hebben aan af en toe een vrije dag zonder zorgverplichtingen. De rechtbank overwoog dat de huidige regeling goed functioneert en in het belang van het kind is, en dat het belang van het kind zwaarder weegt dan het belang van de vader bij wijziging. De rechtbank wees erop dat toekomstige wijzigingen in de werksituatie van de vader gezamenlijk opgelost moeten worden.

De rechtbank besloot het verzoek van de moeder toe te wijzen en stelde de zorgregeling vast zoals verzocht, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vader is verantwoordelijk voor het halen en brengen van het kind volgens de vastgestelde tijden.

Uitkomst: De rechtbank stelt de zorgregeling vast waarbij het kind zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en omgang bij de vader op vaste dagen en vakanties.

Uitspraak

pRechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4202
Zaaknummer: C/09/686384
Datum beschikking: 28 april 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 28 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.O. Perquin te Zoetermeer .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

Bij beschikking van 28 juli 2025 heeft deze rechtbank het door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie voor de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , bepaald op € 425,00 per maand en is het verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling aangehouden tot een nog nader te bepalen zittingsdatum.
De rechtbank heeft wederom heeft kennisgenomen van de stukken.
Op 31 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

 De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad met elkaar.
 Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
 [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
 De vader heeft [minderjarige] erkend.
 De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] .
 [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt de rechtbank een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vast te stellen, inhoudend dat [minderjarige] bij de man zal verblijven elke dinsdag vanuit de BSO tot woensdag naar school en elk weekend van vrijdag 17.30 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij [minderjarige] wordt gehaald en gebracht door de man, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen te bepalen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man heeft op zitting mondeling verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

In artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
De rechtbank overweegt als volgt. De ouders geven al geruime tijd uitvoering aan de door de vrouw verzochte regeling en zij hebben op zitting verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] . De rechtbank acht deze regeling dan ook in het belang van [minderjarige] . De regeling doet bovendien recht aan het gelijkwaardige ouderschap zoals dat de ouders blijkens hun verklaringen ter zitting voor ogen heeft gestaan. De man heeft erop gewezen dat hij weinig tijd voor zichzelf overhoudt met deze regeling. De man zou daarom graag een regeling vastgelegd willen hebben waarbij de man af en toe een vrije dag heeft waarop hij niet de zorg voor [minderjarige] heeft. De rechtbank onderkent het belang van de man hierin, maar meent dat het belang van [minderjarige] bij voortzetting van de huidige, goed lopende, regeling zwaarder weegt dan het belang van de man bij wijziging daarvan. De ouders hebben bevestigd dat de regeling aansluit bij hun werkdagen, al is niet zeker of dat in de toekomst ook zo zal zijn, omdat de man op zoek is naar een andere baan. De rechtbank wijst de ouders erop dat als de man in de toekomst een baan krijgt waardoor deze regeling niet langer aansluit bij de werkdagen van de ouders, het de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ouders is om te zoeken naar een oplossing. Daarop kan de rechtbank op dit moment niet vooruitlopen. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn:
  • elke dinsdag vanuit de BSO tot woensdag naar school;
  • elke vrijdag 17.30 uur tot zondag 19.00 uur;
waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt, alsmede
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg tussen partijen te bepalen.
en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2026.
De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.